Voorproefje

 

En toen kwamen de monsters

Titel: En toen kwamen de monsters
Auteur: Harmen van Straaten
Uitgeverij: Leopold, 2017
ISBN: 9789025872366
Illustraties:

Een Monsterjagersverbond van maar één persoon

Jesse wrijft in zijn ogen. Hij heeft al voor de zoveelste keer de kerkklok in de verte horen luiden. Het wil maar niet lukken om in slaap te vallen.
Hij gaat rechtop in bed zitten. Het is niet eens vollemaan. Want dan kun je de hele nacht wakker liggen. Dat weet hij van zijn moeder.
Jesse voelt aan zijn hals. Daar hangt een ketting met een hangertje van een haaientand. ‘Dat beschermt je tegen alles,’ had mama hem verteld.
‘Ook tegen trollen, vampiers, weerwolven, spoken en... monsters?’ vroeg hij toen mama hem de tand gaf.
Ze knikte. ‘Tegen alles,’ had ze gezegd.
Jesse wrijft over de haaientand. Alsof het de wonderlamp van Aladin is. Maar dat is het niet.
En wensen komen daardoor ook niet uit.
Want de haaientand mag dan tegen alles beschermen, hij beschermde niet tegen een moeder die ziek werd en niet meer beter werd.
Jesse slikt. Het is al meer dan een jaar geleden, maar het lijkt gisteren. De mensen om hen heen lijken het alweer een beetje vergeten te zijn. Is hij dan de enige die ziet hoe papa gebukt gaat onder het verdriet?
Weer hoort Jesse de kerkklok luiden.
Hij laat de haaientand los. Van monsters heeft hij in elk geval geen last. Die heeft hij weggejaagd. Van zijn vader heeft hij vroeger geleerd met zijn handen schaduwschimmen te maken op de witte muur. Draken, trollen, spoken.
Papa kon dat allemaal.
‘Daar schrikken zelfs echte monsters van,’ zei hij altijd. Voor het slapengaan maakte papa vroeger de mooiste monsters op de muur. ‘Als ze die door het raam zien, kijken ze wel uit om in je kamer te komen,’ zei hij dan.
Daarna joegen ze met kussens die schimmenmonsters de kamer weer uit. Het Monsterjagersverbond noemden ze zich.
Jesse zucht. Het Monsterjagersverbond bestaat al meer dan een jaar uit nog maar één persoon.
Een niet zo dapper persoon.
Hoe kun je jezelf nu serieus nemen als Monsterjager als je al bang bent voor de spreekbeurt die je op school moet houden? Jesse ziet er als een berg tegenop. Daar heeft de haaientand hem ook nog niet bij geholpen.

Een heel bang monstertje

‘Ik weet zeker dat ik ze zag, heel grote zwarte enge harige monsters.’
‘Waar dan?’ De stemmen komen uit de kofferbak van een roze Cadillac, een Amerikaanse auto.
‘Bij die jongen achter het raam. Het is een enge jongen,’ klinkt de eerste stem weer.
‘Onzin!’ roept een zware stem uit een ander autowrak op het autokerkhof. ‘Sinds wanneer zijn wij bang voor een jongetje?’ De eigenaar van de zware stem maakt een beweging met zijn groene klauwen met zwarte nagels. Alsof hij iets wil fijnknijpen. Een jongen misschien.
‘Toch zag ik hem monsters meppen met een kussen. En toen waren ze allemaal verdwenen,’ jammert de eerste stem weer. ‘Wie weet is die jongen...’
‘Een Beuker,’ gillen nu verschillende stemmen uit de autowrakken die boven op elkaar gestapeld staan.
‘Maar als hier een Beuker woont…’ kreunt de stem uit de oude Amerikaanse auto. ‘… dan zijn we hier niet meer veilig! Wij zijn de allerlaatste monsters. En nu moeten we misschien weer op de vlucht voor die Beuker. We hebben een vrijwilliger nodig die op onderzoek uitgaat.’
Meteen klinkt het geluid van dichtklappende autodeuren en kofferbakken.
Daarna is het even stil op het autokerkhof.
Dan roept een jonge hese stem: ‘Hallo? Laat me erin!’
Een kleine zwarte schim probeert wanhopig de kofferbak van de roze Cadillac open te maken. Maar die blijft potdicht.
‘Waarom moet ik altijd vrijwilliger zijn?’ vraagt hij.
‘Eigen schuld, Grib! Dan moet je maar zorgen dat je op tijd bent,’ klinkt een gedempte stem. ‘Je bent altijd te laat! Wie niet weg is, is gezien!’
Een dun streepje maan komt achter een grote wolk vandaan. Even schijnt het zwakke licht op een lelijk, monsterachtig wezentje dat van het ene autowrak naar het andere springt. Verder is het autokerkhof verlaten.
In de verte is een kerkklok te horen. Nergens in de wijde omgeving brandt licht.
Grib zoekt de hele nacht naar een schuilplaats. De tijd begint te dringen. Straks wordt het licht en dan versnipt hij tot een snippertje van een snippertje. Zo weinig blijft er over van een monster bij daglicht. Bijna niets. Tenzij iemand water over de snippers gooit, dan groeien ze weer tot monster. Maar dat moet maar net iemand weten.
Het is beter om niet in het daglicht te komen. Daglicht is gevaarlijk. Maar Beukers zijn nog gevaarlijker. Zij zijn het grootste gevaar voor monsters. Als een Beuker een monster beukt, blijft er zelfs geen snippertje van een snippertje over. Als je gebeukt wordt, verdwijn je voorgoed.
Het monstertje rilt. Beukers kunnen zich vermommen als gewone mensen. Als een gemene buurvrouw, een gruwelijke meester, of een nare dokter die helemaal geel ziet van de vieze hoestdrankjes. Je kunt zomaar naast een Beuker wonen zonder dat je het in de gaten hebt. Eén ding hebben alle Beukers met elkaar gemeen: ze haten kinderen.
Daar kun je ze een beetje aan herkennen.
Eigenlijk zijn Beukers mislukte monsters. Echte monsters hebben helemaal geen hekel aan kinderen. Maar omdat ze er soms zo afzichtelijk uitzien, zijn heel veel kinderen bang voor ze. Terwijl ze juist bang moeten zijn voor de Beukers. Die zijn wél gevaarlijk voor kinderen.
Dat weet Grib van opa Baardmonster. Opa heeft het hem zelf verteld, nog voor hij op een dag werd weggebeukt door een Beuker die verkleed was als een leidster van een wandelclub. Dat was toen ze vluchtten naar hier en dachten dat ze veilig waren.
In de verte beginnen vogels te fluiten. Nog even en de zon komt op. Nog even en het is licht, en dan zal hij versnippen.
Wanhopig probeert Grib de ene na de andere kofferbak te openen. Maar ze blijven allemaal potdicht.
In paniek kijkt hij om zich heen. Hij moet een schuilplaats vinden die donker genoeg is.
Bij een hek met een slagboom staat een oud, donker gebouw. Misschien kan hij zich daar verstoppen. Al is het alleen maar voor vandaag!
Het monstertje sluipt naar een oude verroeste regenpijp. Boven in het bakstenen gebouw staat een raam open.
Het wordt steeds lichter. Zo vlug als hij kan, klautert Grib langs de regenpijp omhoog naar het open raam en wurmt zich naar binnen.
Binnen is het donker. Gelukkig kunnen monsters juist dan heel goed zien
In de hoek ziet Grib een kist, hij sluipt er op zijn tenen naartoe.
Het deksel piept een beetje als hij het voorzichtig optilt. Er is gelukkig genoeg plek voor hem. Opgelucht glipt hij in de kist en doet het deksel dicht.
Even later valt hij in slaap. Het is maar goed dat Grib niet heeft gezien dat aan de andere kant van de kamer een bed staat...

.
Leesfeest verloot 3 keer het boek uit dit voorproefje! Wil jij ook kans maken op dit boek? Klik dan hier
.