Voorproefje
| Titel: | Het geheim van de blauwe steen |
| Auteur: | Reina Bakker |
| Uitgeverij: | The House of Books, 2012 |
| ISBN: | 9789044333657 |
| Illustraties: |
Tom is alleen. Zijn moeder, wasvrouw van een herberg, is overleden. Ze laat Tom achter met een ring en een belofte: 'Als de lijster in de perenboom zingt, kan het wonder gebeuren'. Tom komt terecht bij de wrede Nabal Fielt die de ring van hem steelt. Op een bitterkoude winternacht verschijnen er vier ruiters die op zoek zijn naar hem. Tom gaat met ze mee. De reis die volgt, is lang en gevaarlijk. Wat is het geheim van de blauwe steen?
Lees hier het voorproefje van 'Het geheim van de blauwe steen' van Reina Bakker en maak kans op een exemplaar van dit boek.
Prijs de dag niet voor het avond is, dacht de waard van De Gulden Griffioen. Hij keek naar de stille gestalte op het bed. Nell Gwin, de wasvrouw, was dood. Vanmorgen nog stralend gezond, nu zo dood als een pier. Hij begreep er niets van. Zijn ogen dwaalden naar de kleine jongen naast het bed. Dat werd ook nog een probleem. Die jongen kon hier niet blijven. Er was geen plaats voor hem. De nieuwe wasvrouw moest deze kamer hebben. Hij keek naar de dode vrouw op het bed. Er lag een raadselachtige glimlach om de mond. Rossige krullen omlijstten het bleke, mooie gezicht. De jongen leek sprekend op zijn moeder: hetzelfde gezicht en hetzelfde haar. Alleen was de jongen veel opener. Van de moeder had hij nooit iets begrepen.
Nou ja, dood was dood. Hij moest snel een andere wasvrouw zien te vinden. Vooral de laatste dagen was het druk geweest in de herberg.
‘Kom Tom,’ zei hij, terwijl hij een zware arm om de tengere schouders van de jongen legde, ‘ga maar mee. Je kunt niets meer voor je arme moeder doen.’
Gehoorzaam stond Tom op en volgde de herbergier de kamer uit.
‘Vanavond moet je maar bij de keukenmeid slapen,’ vervolgde de man.
Tom knikte. Nog steeds drong het niet tot hem door dat zijn moeder dood was.
Als in een droom liep hij de schemerige hof in die achter de herberg lag. Hij rook de geur van de lente. Plotseling werd de stilte verbroken door het gezang van een vogel. De lijster in de perenboom, wist Tom.
‘Als de lijster in de perenboom zingt, gebeurt het wonder,’ hoorde hij zijn moeder in gedachten fluisteren. ‘Nog even wachten, maar het duurt niet lang meer.’
Welk wonder? dacht de jongen. Een traan gleed over zijn wang. Het gezang van de lijster vulde de hof. Met zijn armen wanhopig om de knoestige perenboom geslagen liet Tom zijn tranen de vrije loop. Er was niemand om hem te troosten. Geen moeder meer die hem over het hoofd streek of de armen om hem heen sloeg. Dat was voorgoed voorbij.
‘Tom! Tom Lilliput!’
Het gezang van de lijster brak af. Uitgeput van het huilen liep Tom langzaam terug.
‘Tom Lilliput, waar zit je?’ Er klonk ongeduld in de stem.
‘Ik ben hier.’ Het flakkerende licht van de lantaarn die naast de achterdeur van de herberg hing, viel op zijn behuilde gezicht.
‘Och jochie, heb je het zo moeilijk? Het valt ook niet mee, hè?’
Mary, de keukenmeid, keek hem medelijdend aan. ‘Een mens heeft maar één moeder, zeg ik maar zo. Vannacht kun je bij mij slapen, maar je moet eerst wat eten.’ Babbelend liep ze voor Tom uit naar de grote keuken.
‘Ik zou bijna vergeten waarom ik je riep. Iemand heeft naar je gevraagd.’
‘Naar mij?’ vroeg Tom verbaasd.
‘Ja, en als je het mij vraagt: een onguurder persoon heb ik in mijn leven nog niet gezien. Om de kriebels van te krijgen. Hier, eet op.’ Ze zette een bord eten voor Tom neer.
‘Ik heb geen trek.’
‘Natuurlijk niet, maar je wilt toch niet altijd zo klein blijven, Tom Lilliput?’
Wat haatte Tom zijn bijnaam. Hij was geen lilliputter, alleen maar klein voor zijn leeftijd. Met lange tanden begon hij te eten. Toen Mary de keuken uit liep, kieperde hij snel de rest van het eten in het vuilnisvat. Vervolgens liep hij de gang door naar de gelagkamer. Door een smalle spleet in de muur kon hij een gedeelte van het vertrek overzien. Het was er ongewoon stil.
Dat was vreemd. Meestal daverde de herberg van het kabaal. Hij zag hoe Mary een kan bier voor een vreemdeling neerzette. De man had zich helemaal in een hoek van de gelagkamer
teruggetrokken. Tom kon zijn gezicht niet zien. Een zwarte kap was ver over het hoofd getrokken. Toen Mary zich omdraaide, glipte Tom weg, terug naar de keuken.
‘Ik vertrouw die man niet!’ Met een klap zette Mary een blad vol kroezen op de grote keukentafel.
‘Het lijkt wel of iedereen bang voor hem is.’
‘Wat doet hij dan?’ vroeg Tom, wel wat nieuwsgierig.
‘Niks, dat is het hem nou juist! Alleen verstijf je van de kou als je bij hem in de buurt komt. Je kunt nauwelijks wat van zijn gezicht zien. Als ik jou was, Tom Lilliput, ging ik
beslist niet naar binnen. Je moest maar op mijn kamer gaan zitten. Ga maar gauw. Hier is een kaars.’ Ze duwde de jongen de keuken uit.
Haastig sloop Tom de trap op.
Boven ging hij eerst naar de kamer waar zijn moeder en hij zo lang gewoond hadden. Er waren kaarsen bij het hoofdeinde en voeteneinde van het bed gezet. Het schijnsel verlichtte
flauw de stille gestalte. Aarzelend liep Tom op het bed toe. Gek, het was zijn moeder en toch ook weer niet. Iemand had de kamer opgeruimd. In een hoek zag hij een bundeltje kleren en een tas staan. Die waren zeker voor hem bedoeld. Hij zou ze straks meteen maar meenemen. Weer keek hij naar zijn moeder. Haar gezicht werd wazig door zijn tranen. Hij sperde zijn ogen wijd open en veegde de tranen haastig weg.
‘Dag mam,’ fluisterde hij.
Toen liep hij de kamer uit, zijn spullen in de ene hand en de kaars in de andere.
De jongen sliep al, toen Mary boven kwam. De keukenmeid keek naar het gezicht met de vuile strepen. Zeker zichzelf in slaap gehuild, stelde ze vast. Een mens zou er zelf van gaan janken. Dat arme joch. Bezat geen mens meer op de wereld en dan was hij ook nog zo ellendig klein. Het viel
allemaal niet mee. O, daar stonden zijn spulletjes al. Hadie zeker vast opgehaald. Ze kleedde zich uit, maar opeens verstijfde ze van schrik. In de kamer naast de hare klonken geluiden, alsof iemand over de houten vloer liep. Heremetijd, Nell Gwin was toch niet aan het spoken? Haastig sloeg ze haar omslagdoek om. Zou ze naar de kamer gaan? Maar als Nell Gwin nou…?

