Nationale Voorleesdagen

Terug naar lijst

Ook wij hebben natuurlijk onze voorleesfavorieten! Lees hier de verhalen van de hele leesfeest redactie over hun mooiste voorleesboeken.

'De kleine prins' van Antoine de Saint-Exupéry is een verhaal dat je niet vaak genoeg kunt lezen. Voorgelezen is het nog mooier dan zelf gelezen, want dan kun jij de tekeningen - gemaakt door de schrijver - pas echt goed bekijken. In het verhaal én in de tekeningen zit heel veel. Over de wereld van volwassenen, die door de ogen van de kleine prins gezien best vreemd is. Volwassenen letten namelijk op verkeerde dingen en zien de echte dingen niet. Om dat te begrijpen moet je een beetje zo zijn als de schrijver, die als kind te horen kreeg dat hij niet kon tekenen. Dus is hij met tekenen gestopt, tot de kleine prins zijn tekeningen wél begreep. Dat gaf hem moed om opnieuw te gaan tekenen. Dat is wat de kleine prins ook met jou doet: hij geeft je moed, want hij durft de dingen te zien zoals ze echt zijn. Luister maar goed! Elisa.
 

 

Het allerleukste boek om voor te lezen is ‘Bij uil thuis’ van Arnold Lobel. In vijf verhaaltjes leer je Uil goed kennen: hoe gastvrij hij is als er op de deur wordt geklopt, hoe bang hij is als hij vreemde bobbels in zijn bed ontdekt, hoe hij tranenthee zet, hoe hij niet kan kiezen tussen boven of beneden zijn, en hoe hij vrienden wordt met de maan. De verhalen zijn geschreven als toneelstukjes, waarbij je als voorlezer helemaal in de rol van Uil kan kruipen. Zo worden Uils avonturen extra spannend, vrolijk, verdrietig of gek. Gelukkig lopen alle verhalen goed af, zodat ze ook geschikt zijn om voor te lezen voor het slapen gaan. De makkelijke taal en de grappige tekeningen maken van ‘Bij uil thuis’ een echt voorleesfeestje! Ingrid.
 

 

Raad eens hoeveel ik van je hou?
‘Wat ga ik voorlezen vandaag?’ vroeg ik iedere avond aan mijn kinderen, wanneer we op het grote bed klommen.
‘Grote Haas en kleine Haas!!’ riepen ze dan in koor. En wéér lazen we samen ons lievelingsboek. Keer op keer genoten we van het prachtige verhaal over Haas en Hazeltje.‘Grote Haas, kom eens hier met je oren. Ik moet je iets héél belangrijks vertellen. Raad eens hoeveel ik van je hou?' Als je de prachtige tekeningen bekijkt, zie je precies hoeveel deze twee hazen van elkaar houden. Tot hoog boven hun hoofd en tot diep in hun tenen. Tot voorbij de rivier en nog veel, veel verder.
En op het laatst waren mijn kinderen net zo moe als Hazeltje en kon ik ze instoppen in hun bedje van varens….eh…dekens. Merrit.

 

Vieze klassieker
‘Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft’…. Een titel die zó veel aantrekkingskracht heeft op (voor)lezers dat hij niet mag ontbreken in een lijst met voorleesklassiekers. Mijn eerste kennismaking met deze voorleestopper was op de kleuterschool. Het boek was zo geliefd, dat de juf er bijna elke week uit voorlas. Het verhaal zelf is niet ingewikkeld: over een mol die op zijn kop gepoept is en op zoek gaat naar de dader. Maar de zoektocht is een fantastische beleving. Alle dieren die bezoek krijgen van de mol laten haarfijn zien hoe hun ontlasting eruitziet. Dat alleen al zorgt voor gegniffel, maar het wordt natuurlijk pas echt grappig als degene die het verhaal voorleest óók de bijbehorende poep-geluiden maakt. PLETS doet de poep van de duif, PLOFPLOFPLOF daar vallen de paardenvijgen… hartstikke leerzaam toch?! Mirjam.
 

Toemai, de zoon van het oerwoud
Het was vrijdagmiddag. De rekenboeken opgeborgen, taallesjes ingevuld, dictee gemaakt, bijna klaar voor het weekend. Bijna. Want meneer Jansen van de vijfde klas (groep 7) ging naar de kast en haalde Toemai, de zoon van het oerwoud tevoorschijn. Tevreden leunde je met je ellebogen op tafel en legde je kin in je handen. Het laatste half uur op vrijdagmiddag ging je mee naar het tropische woud, waar Kleine Toemai en zijn olifant Kala Nag woonden. De stem van meneer Jansen voerde je over de rivier waar krokodillen zwommen, langs het kamp waar mannen in lendendoek op olifanten jaagden en liet je dromen dat jijzelf veilig op de rug van zo’n machtig dier door de jungle dwaalde. Net als die dappere Kleine Toemai. Veel te snel ging de bel. Het was weekend. Met een hoofd vol tijgers, lianen en olifanten zweefde je naar huis. Prachtig. Geweldig! Was het elke dag maar vrijdagmiddag. Lidewij.
 

Wij gaan op berenjacht
“Wij gaan op bééééérenjacht” roep ik door de speelruimte heen. “Jááááá” wordt er dan vrolijk teruggeroepen. En voor ik het weet zitten de peuters van het kinderverblijf waar ik juf ben op het voorleeskleed. “Wij gaan op berenjacht” van Michael Rosen en Helen Oxenbury is een (pop-up)prentenboek over een familie die gaat wandelen. Elke linkerbladzij begint met dezelfde vier zinnen: “Wij gaan op berenjacht”, “Wij gaan een hele grote vangen”, “Wat een prachtige dag!” en “We zijn niet bang”. Mijn peuters lezen die ondertussen hardop mee. De familie wandelt onder andere dwars door lang, wuivend gras, een diepe, koude rivier en dikke, slikkerige modder heen. Tot ze bij de berengrot komen… De kinderen zien steeds iets nieuws en stellen vragen over de platen. De meeste zinnen worden steeds herhaald. Daardoor weten de kinderen wat er komen gaat. Zo lezen ze zelf een beetje mee en zijn we écht samen een boek aan het voorlezen. Heerlijk! Carol.
 

Welterusten... Kleine Beer
Eén van de mooiste voorleesboeken vind ik ‘Welterusten... Kleine Beer’ van Martin Wadell en Barbara Firth. Daarin moet Kleine Beer na een lange dag buiten spelen, gaan slapen. Maar Kleine Beer kan niet slapen. Het is zo donker in de grot... Op de tekeningen zie je Kleine Beer steeds raarder in z’n bedje liggen: met z’n pootjes op het hoofdeinde; half van het bed af; in elkaar gevouwen naast het dekbed – precies wat ik deed als ik niet kon slapen! En bang voor het donker was ik ook, met al die enge monsters en grote onbekende werelden op de gang. Gelukkig zet Grote Beer een nachtlampje naast het bed van Kleine Beer. En als dat niet helpt, komt Grote Beer met een steeds grotere lantaarn en haalt hij uiteindelijk zelfs de maan. In ‘Welterusten... Kleine Beer’ staan heel mooie prenten, waar je lang naar kunt kijken. Op die prenten lijkt de wereld oneindig: het bos vol sneeuw loopt door tot aan de zon (of ’s nachts tot aan de maan). De fantasiemachientjes ratelden in mijn hoofd bij het zien van de tekeningen. Kleine Beer is bovendien heel schattig. Doordat de lieve Kleine Beer net als ik bang was voor het donker, vond ik het minder erg om te gaan slapen! Linda.
 

Voorlezen zonder woorden
In het boek ‘Monkie’ van Dieter Schubert is geen letter te bekennen. Kun je wel een verhaal vertellen zonder dat er woorden zijn? Jazeker! Samen kijken naar wat het knuffelaapje meemaakt is spannend genoeg. Oh nee, hij raakt kwijt! Waar gaat hij allemaal naartoe? Hij zal toch zeker wel weer gevonden worden?!
‘Monkie’ is ook verkrijgbaar op supergroot formaat. De bladzijdes lijken wel posters. Elke plaat kun je uren bekijken. Maar natuurlijk alleen als je het verhaal al kent, want anders móet je wel doorbladeren om zeker te weten dat het goed komt met het arme aapje. Daarmee is de schrijver en tekenaar erin geslaagd om precies dáár voor te zorgen wat kinderen willen: nog een keer!
‘Monkie’ is om te huilen zo zielig en ook voor het einde heb je een zakdoek nodig, maar dan voor tranen van ontroering. Nog beter is het om daarvoor de trui van je papa of mama te gebruiken. Want dat is het fijne aan voorgelezen worden: je bent altijd samen! Juulke.
.
Er was eens.... een meisje met rode krulletjes dat als zij ging slapen, niets liever kreeg voorgelezen dan sprookjes. Avond aan avond luisterde zij naar de verhalen over Roodkapje, Vrouw Holle, Assepoester, Repelsteeltje en Hans en Grietje. Ook de minder bekende sprookjes met namen als Het meisje zonder handen, De vos en vrouw wolf en Oude Rinrang vond zij mooi. Dat meisje? Dat ben ik, Carlijn.
Ik vond het heerlijk om op te gaan in het verhaal en fantaseerde er van alles bij. De sprookjes waarin iemand een ander te slim af is vond ik het leukst. En de grappige zinnen. Bijvoorbeeld in het sprookje Repelsteeltje, nadat de koningin zijn naam geraden heeft: ‘Toen pakte hij in zijn kwaadheid zijn linkervoet met twee handen beet en scheurde zichzelf dwars doormidden.’ Ook nu lees ik nog graag een sprookje, het liefst uit de Grimm-editie uit 2005, waarin Charlotte Dematons honderden tekeningen maakte, die precies passen bij hoe ik me de sprookjeswereld vroeger voorstelde. Carlijn.
 

 

Naar bed gaan was vroeger helemaal niet vervelend. Het was een feest. Dan was het namelijk voorleestijd! Liggend in een warm bed vol met knuffels luisterde ik naar de belevenissen van Jip en Janneke. Deze buurkinderen spelen altijd samen. De ene dag in Jips huis en de andere bij Janneke. Samen halen ze veel kattenkwaad uit. Moeten ze bijvoorbeeld appels rapen? Dan nemen ze uit elk een hapje. Erg lekker, maar wel een beetje stout! Toch zijn Jip en Janneke meestal lief. Ze zorgen goed voor Siepie en Takkie, de poes en hond van de vriendjes. En ook spelen ze leuke spelletjes. De verhalen van Annie M.G. Schmidt vind ik stiekem nog steeds leuk om te lezen. Ook de tekeningen van Fiep Westendorp vervelen nog niet. De boeken staan daarom nog in mijn boekenkast. Hoewel, staan? Door het vele lezen, vallen ze bijna uit elkaar... Mirthe.
 

 

Bollekop
Blij worden van boeken, vinden ze bij mij thuis belangrijk. Bollekop van Kamagurka is om die reden een van onze voorleesfavorieten. Iedere keer weer liggen mijn kinderen schaterlachend in bed als ik ze voor het slapengaan lees uit Bollekop: een sprookje over een mannetje met een groot hoofd dat niet in zijn huis past. Of het nu regent, sneeuwt of hagelt, zijn hoofd ligt altijd buiten. Als hij op een dag paddenstoelen verzamelt in het bos, ontmoet hij een houthakker die zijn drie dochters kwijt is. Bollekop biedt aan hem te helpen zoeken. Voor onderweg krijgt hij van de houthakker een deurknop mee die drie wensen kan vervullen. Dan begint het grote avontuur met als hoogtepunt een gevecht met een zevenkoppige draak. Leuk detail: de mensen, dieren, draak, paddenstoelen en zelfs de deurknop hebben een baard! Grappige en rare logica in de zinnen en geweldige tekeningen van Gerda Dendooven maken dit absurdistische verhaal tot een genot!  Yvonne.

Wijdbeens achter het roer, met zijn ogen op de kim
Toen ik een jaar of zeven was, sliep ik samen met mijn twee jaar jongere zusje op een kamer. Mijn bed stond onder een schuin dak en dat zorgde voor een lekker knus hoekje. Op die plek las mijn vader ons regelmatig voor. Tot mijn favorieten behoorden de drie boeken over de kleine kapitein van Paul Biegel. Wat een spannende verhalen!
Een jongen noemt zich aan het begin van het eerste deel de kapitein van het aangespoelde bootje bovenop een duintop. Hij wacht op de omgekeerde hoge golf die zijn bootje en hem weer mee zal nemen naar zee. Doel van zijn reis is het eiland van Groot en Groei, waar kinderen in een nacht volwassen worden. Dat leek mij ook wel wat, ik wilde wel met die kleine kapitein meevaren.
Samen met die dappere en verstandige jongen voer ik door de drakenpoort, langs de vulkaan de Vuurspuger en kwam ik terecht in de Spookstad. Onderweg bakte Marinka keer op keer pannenkoeken, blies dikke Druif het vuur aan en zwabberde bange Toontje het dek. De avonturen bleken achteraf ook nog puzzelstukjes te zijn die heel mooi bij elkaar pasten. Daarom wilde ik de verhalen over de kleine kapitein graag opnieuw en opnieuw horen. En ik weet zeker dat ik deze boeken ook weer pak als ik zelf ga voorlezen. Inger.

‘Zo. En nu lees ik geen jeugdboeken meer,’ zei ik. Want ik was dertien en dus groot en dus was ik te oud voor kinderboeken. Wat ik dan wel moest lezen, wist ik niet. Dus stopte ik maar helemaal met lezen.
Mijn moeder stak daar een stokje voor. Ze pakte een paar boeken, nam plaats naast mijn tienerbed en begon voor te lezen. ‘Erik of het klein insektenboek’ van Godfried Bomans was één van die boeken. Volgens mij heeft ze me wel een jaar of langer voorgelezen, tot ik zelf de weg vond tussen al die boeken voor volwassenen. Ik denk eigenlijk dat ik dat zelf zo lang mogelijk uitstelde, want het was maar wat gezellig, zo’n voorlezende moeder naast je.
En weet je wat het gekke is? Toen ik eenmaal echt volwassen was, wilde ik niets liever dan… kinderboeken lezen. Jennifer.

 

Na zelf lezen is voorlezen natuurlijk het leukste wat er is. Dat wist ik als klein kind, toen ik zelf voorgelezen werd. Dat wist ik als groot kind, net oud genoeg om zelf voor te lezen. En dat weet ik nu als volwassene, nu ik nog steeds mag voorlezen.
Het boek dat ik me van vroeger het best kan herinneren is 'de koning' van Dick Bruna. Het was mijn absolute favoriet. Het gaat over een koning die niet met een prinses wil trouwen, maar liever met het dochtertje van de tuinman. De hofdames vinden het niet goed, want Roosmarijn heeft geen kroontje.
toen dacht de koning: weet je wat / ik wil geen koning zijn / ik zet mijn kroontje lekker af / en trouw met roosmarijn
Volgens mij is Dick Bruna zelf deze koning. Het gaat hem niet om het kroontje, hij wil gewoon samen plezier hebben. Bruna tekent en schrijft boeken zonder poespas en dat maakt ze prachtig voor alle leeftijden, waar ook ter wereld. Na al die boeken (al meer dan 120!) die hij heeft gemaakt zie je nog steeds dat hij er plezier in heeft. En gelukkig mogen wij daar allemaal van meegenieten! Maartje.
 

Sommige boeken zullen voor altijd bijzonder blijven omdat ze ooit aan je zijn voorgelezen: niet alleen omdat het mooie boeken waren, maar ook door de herinneringen die je hebt aan het voorlezen zelf. Mijn moeder las mijn zussen en mij vroeger voor uit Koning van Katoren van Jan Terlouw. Dit boek gaat over de zeventienjarige Stach, die koning wil worden. Maar eerst moet hij zeven opdrachten vervullen. Als hij daarin slaagt, zal hij gekroond worden tot de nieuwe koning van Katoren. Zes ministers doen hun best om de moeilijkste opdrachten te verzinnen, de een haast nog onmogelijker dan de andere. Want wat moet Stach beginnen tegen een stad vol oorverdovend schreeuwende vogels, een gevaarlijke draak of tegen de duistere tovenaar Pantaar, die dat komt halen waar je het allermeest van houdt? Maar Stach laat zich niet uit het veld slaan. Totdat de ministers hem opdracht geven van de Sint Aloïsius te springen, een torenhoge kathedraal… Of weet Stach zelfs daar iets op te verzinnen? Mijn moeder bracht de avonturen van Stach elke avond opnieuw tot leven. En nog steeds, als ik nu zelf Koning van Katoren herlees, hoor ik mama’s stem in mijn hoofd: ‘Deze geschiedenis gaat over het land Katoren. Hij begint op een nacht, zeventien jaar geleden…’ En daarna kan ik gewoon niet meer stoppen met lezen. Eefje
 

Robin en Knor
Jullie kennen Robin vast wel. Dat kleine jongetje met dat varkentje. Hij houdt van schommelen (hij heeft een schommel in de gang!), en dan zingt-ie het volgende liedje: Validon en Bommerkruit die gingen samen poepen, Validon en Bommerkruit die poepten in de lucht. De boeken over Robin en Knor (en zijn vader en moeder, en zijn babyzusje Suze, en zijn opa die zeeman is geweest en spannende verhalen vertelt over wolven en haaien) heb ik denk ik wel honderd keer voorgelezen. Eerst aan mijn zoon, en daarna weer aan mijn dochter. Dat is het aller-allerleukste als je moeder bent: voorlezen aan je kinderen.
Oké, dus voorlezen is leuk, maar wat maakt Robin dan het aller-allerleukste om voor te lezen? Nou, ten eerste dat Robin met zijn vriendje Knor (hij kan niet zonder Knor) eigenlijk heel gewone dingen meemaakt, dezelfde dingen als jij: hij schommelt, hij speelt zwarte piet, hij leert schaatsen, hij krijgt een zusje, hij gaat voor het eerst naar school, hij maakt vrienden... Hij wordt dus géén weerwolf, hij kan níet vliegen en ook niet toveren.
Hm. Is dat dan niet saai? Nee, helemaal niet! En dat komt door de schrijver, Sjoerd Kuyper. Die vertelt de verhalen over Robin op zo’n manier dat ze juist heel bijzonder worden. Soms zijn ze grappig (vaak!), soms zielig, soms spannend, soms nadenkerig… maar gewóón, dat zijn ze dus eigenlijk nooit. Knap hè?
En nu heel snel naar de bieb of de winkel voor een Robinboek! Misschien wil papa of mama je wel voorlezen, of je grote broer of zus. Of misschien ben je zelf groot en kun jij de verhalen van Robin aan je kleine broertjes of zusjes voorlezen. Lekker samen op de bank. Hanneke.

Ik kan het me zelf niet herinneren, maar volgens mijn moeder waren mijn zusje en ik gek op de dikke kartonnen omkeerboekjes van Dikkie Dik. Ongeveer vier jaar oud waren we en het maakte niet uit hoe vaak we ze al eerder gehoord hadden: elk avontuur van de dikke rode kater vonden we prachtig. Op een gegeven moment kenden we de teksten zelfs uit ons hoofd.
Bij een van de boeken die ik nu heel bijzonder vind, ‘De gele ballon’ van Charlotte Dematons, zou dat niet gekund hebben. In dit boek valt er ontzettend veel te zien, maar tekst is er niet. Wel komen op elke pagina een gele ballon, een blauwe auto, een fakir op een vliegend tapijtje en een boef terug. Volg ze eens – bekijk lekker dicht tegen elkaar aan de plaatjes en wijs ondertussen vooral aan wat je allemaal nog meer ziet – en je zult zien: er ontstaan vanzelf verhalen. Marlous.

Gordijnen dicht, kaarsjes aan en dan de stem van mijn meester De Graaf uit klas 6 (nu groep 8) die de hele klas in mum van tijd het kapelletje inleest. De kapel van Tiuri uit Brief voor de Koning van Tonke Dragt. Wij waren even geen zesdeklassers meer, wij waren aankomende ridders. Wij luisterden stil en vol aandacht naar de mooie stem van de meester en naast ons zat Tiuri. We voelden de stilte, de plechtigheid, wij roken de muffe lucht van het kerkje. Eén nacht in de kapel en deze jongens werden tot ridder geslagen, dat moet te doen zijn. Totdat de meester hard op zijn bureau klopte. De hele klas hield zijn adem in. Aan de deur van het kapelletje werd geklopt, iemand vroeg om hulp.... Marjolein.

 

De GVR
Sommige boeken zijn duidelijk geschreven om voor te lezen. Andere boeken zijn fantastisch om zelf te lezen. En dit boek, dit is er eentje waarbij het eigenlijk niet uitmaakt.Maar luisteren naar de fantastische tocht met de kleine Sophie is toch wel heel speciaal. Je vliegt met de Grote Vriendelijke Reus op zoek naar kinderen die mooie dromen mogen hebben. Samen reis je superver, naar een land vol griezelreuzen die mensen eten! En dit zijn geen lieverdjes, kijk eens hoe ze praten:

‘Ik is geflusbunkerd!’ brulde de Vleeslapeter.
‘Ik is gestoethaspeld!’ gilde de Kinderkauwer.
‘Ik is gespitsroedeld!’ bulderde de Bottekraker.
‘Ik is gepimpelmoesd!’ jankte de Mensenmepper. 

De reuzen in de GVR praten heel anders dan jij en ik, en dat is extra leuk om te horen. Om misschien wel met je ogen dicht dat andere land voor te stellen. Maar het is ook heel leuk om, als je zelf leest, het zelf hardop te proberen. Femke.

 

.
.