'Dit wordt mijn meestgelezen boek. Dat is een raar idee.'

Terug naar lijst

Edward van de Vendel over het kinderboekenweekgeschenk 2005 en zijn twee andere gloednieuwe boeken.

Edward van de Vendel heeft dit jaar niet stilgezeten. Niet alleen heeft hij het kinderboekenweekgeschenk ‘Wat rijmt er op puree?’ voor de aankomende kinderboekenweek geschreven, de komende maanden zullen ook nog het prentenboek ‘Van de jongen die een eikenhouten stoeltje at' en de jeugdroman ‘Ons derde lichaam’ van zijn hand verschijnen. Hoe komt hij aan zoveel inspiratie? Hoog tijd voor een interview over zijn nieuwste boeken!

Van de Vendel vindt het een grote eer dat hij gevraagd is voor het kinderboekenweekgeschenk. ‘Ik vind het geweldig! Ik was heel verrast, ik had nooit aan die mogelijkheid gedacht. De schrijvers van het kinderboekenweekgeschenk zijn vaak bekende mensen, die al heel lang bezig zijn en al een heleboel boeken hebben geschreven. Ik dacht: misschien over een jaar of tien. Het was dus een grote verrassing.’
Schrijver van het kinderboekenweekgeschenk: een eer, maar daardoor ook een belasting: ‘Het legt wel veel druk op je. Ik realiseerde me dat dit boek door heel veel mensen gelezen zal worden. Waarschijnlijk wordt dit mijn meestgelezen boek. Dat is een raar idee. Je schrijft helemaal niet vanuit dat oogpunt. Daar komt ook nog bij dat kinderboekenweekgeschenken vaak slecht beoordeeld worden. Ik dacht: misschien moet ik eens een andere stijl proberen. Maar toen bedacht ik me: ze willen míj, om hoe ík schrijf. Ik moet gewoon mezelf zijn. Daarna ging het eigenlijk vanzelf.’

Zo had Van de Vendel onmiddellijk een idee voor het kinderboekenweekgeschenk: ‘Ik heb eigenlijk altijd ideeën voor vijf, zes boeken. Eigenlijk bestonden de hoofdpersonen Cal en Gus al. In ‘Vakantie op Wadsoog’ had ik al een verhaal geschreven over dit gezin. Meestal begint het idee voor een boek met een beeld: ik zag voor me hoe iemand door een hek een meisje opgeschept ziet worden door een vorkheftruck. Dit filmpje in mijn hoofd leidde tot het verhaal.’ Van de Vendel zag ook hoogwerkers in de buurt waar hij woont. ‘Ik wilde meer te weten komen over die machines. Ik heb gezocht op internet en vervolgens ben ik een middag naar die hoogwerkers gaan kijken.’
 

Van de Vendel deed niet eerder zo kort over het schrijven van een boek: ‘Ik had een half jaar de tijd om het kinderboekenweekgeschenk te schrijven, ongeveer even lang als ik over mijn andere boeken doe. ‘Wat rijmt er op puree?’ heb ik in vijf weken geschreven, ik was heel vroeg klaar. Het heeft niets met de lengte te maken: het kinderboekenweekgeschenk telt ongeveer evenveel woorden als een van mijn eerdere boeken ‘Gloeiende voeten’. Het kwam toevallig zo uit.’

Naast het kinderboekenweekgeschenk heeft Edward van de Vendel dit jaar ook gewerkt aan zijn nieuwste jeugdroman, die ‘Ons derde lichaam’ heet. Het is het vervolg op het succesvolle ‘De dagen van de bluegrassliefde’, waarvoor Van de Vendel eerder een Gouden Zoen ontving. In dit boek ontdekt hoofdpersoon Tycho dat hij op jongens valt. ‘Ons derde lichaam’ begint waar ‘De dagen van de bluegrassliefde’ ophoudt: meteen na Tycho’s terugkomst in Nederland. In het vervolg gaat Tycho op kamers wonen. In dit studentenhuis leert hij een meisje kennen en er ontstaat een bijzondere vriendschap tussen hen. ‘Er gebeuren zeer heftige dingen in dit boek,’ onthult Van de Vendel. Het is ook een dikker boek dan ‘De dagen van de bluegrassliefde’: ‘Ons derde lichaam’ telt maar liefst 280 pagina’s. Van de Vendel heeft dan ook heel lang gedaan over dit boek. ‘Het was eng om dit vervolg te schrijven: ik ben bang mijn lezers teleur te stellen. ‘De dagen van de bluegrassliefde’ beschrijft een eerste liefde, daar kan iedereen zich wel iets bij kan voorstellen. In het tweede boek is het een heel andere plot.’
‘Het is mijn belangrijkste boek ooit,’ zegt Van de Vendel. ‘Nou ja, eigenlijk zeg ik dat over al mijn boeken. Maar Tycho was nog heel erg aanwezig na ‘De dagen van de bluegrassliefde’. Iedereen vraagt altijd hoe het verder met hem ging. In het begin kreeg ik vooral veel reacties van jongens, maar later ook van meisjes. Dit zijn altijd heel bijzondere mailtjes. Op deze manier bleef ik telkens toch met de personages bezig. Tycho leeft. Nu heb ik zijn leven weer een stukje verder gebracht. Misschien komt er zelfs nog wel een derde boek over Tycho. Ooit.’

In elk geval kunnen fans van ‘De dagen van de bluegrassliefde’ zich gaan verheugen op het tweede deel. Bovendien zal gelijktijdig met ‘Ons derde lichaam’ ook nog de dichtbundel ‘Chatbox’ verschijnen, waarin Tycho eveneens voorkomt. Naast deze boeken verschijnt dit jaar ook het prentenboek ‘Van de jongen die een eikenhouten stoeltje at’, waarvan Gerda Dendooven de illustraties maakte. Van de Vendel schreef dit boek al twee jaar geleden. ‘Het gaat over een jongen die indruk wil maken op een meisje. Dat lukt, want ze blijven voor altijd bij elkaar.’ ‘Van de jongen die een eikenhoutje stoeltje at’ is een bijzonder boek: er lopen drie verhalen door elkaar heen, geschreven vanuit de jongen, het meisje én het eikenhouten stoeltje.
‘Ik wilde graag weer een boek met Gerda Dendooven maken,’ aldus Van de Vendel. ‘Ze maakt prachtige illustraties!’ Hij vindt het niet jammer dat zijn boeken niet zelf van illustraties kan voorzien. ‘Ik ben nog nooit teleurgesteld geweest. Ik weet de namen van de tekenaars altijd van te voren en ik heb altijd met grote kunstenaars kunnen werken. Bovendien weet ik zelf vaak niet hoe mijn personages eruit zien. Ik had bijvoorbeeld geen idee hoe Tycho eruit zag. Toevallig zag ik op het station een keer een jongen lopen waarvan ik dacht: “Zo zou Tycho er wel eens uit kunnen zien.” Toevallig bleek die jongen ook nog eens echt Tycho te heten! Dat was wel een bijzonder moment. Heel raar is dat: mijn personages hebben niet meteen een gezicht. Ze zìjn er gewoon opeens.’

Het is duidelijk: Edward van de Vendel heeft geen gebrek aan inspiratie. ‘Het is bij mij altijd meer een kwestie van concentratie dan van inspiratie. Soms heb ik momenten dat ik teveel met andere dingen bezig ben en ik me niet kan concentreren. Dan ga ik naar buiten. Vooral in de trein kan ik goed schrijven, of in het café. Maar inspiratie is het probleem niet. Er zitten nog een heleboel boeken in mijn hoofd!’

Eefje

.
.