De tedere rovers van Paul Biegel

Terug naar lijst

‘Een meesterverteller met een rovershart’. Zo wordt de schrijver Paul Biegel genoemd.
Zodra je een Biegelboek openslaat, stap je in een sprookjesachtige wereld vol vergeten paleizen, wenteltrappen met meer dan duizend treden, spooksteden, eeuwenoude draken, heksen en dwergen en onbetrouwbare herbergiers. Als kleine jongen hield Paul Biegel van de sprookjes van Grimm en dat proef je meteen als je ook maar één enkele bladzijde van hem leest.
Een meesterverteller is Paul Biegel dus inderdaad. Maar hoe zit het met dat rovershart?
 

‘Dief!’ bulderde IJzergreep. 
'Nee,’ zei Hoepsika. ‘Rover ben ik. Dat is heel iets anders. Dieven zijn zij.’ Hij wees op de waard en de waardin. ‘Stiekeme dieven, die twee. Ik ben een eerlijke rover.’

Een eerlijke rover? Ja hoor, die bestaan. En de rover Hoepsika is er eentje, een echte galante Biegel-rover die beleefd zijn hoed afneemt voor hij zegt: ‘Goedemiddag dames en heren, uw geld alstublieft.’ Nadat hij de geldbuidels met een buiging in ontvangst heeft genomen, werpt hij de dames zelfs een kushand toe.

 

Dan heb je ook de rovers Holz, Bolz en Schwanzenstolz uit ‘De rode prinses’; drie grove kerels uit het Knoestige Woud, waarbij Schwanzenstolz volgens de hofdames Paula en Laula de verschrikkelijkste, afschuwelijkste, allerergste is. Ze ontvoeren zomaar die arme prinses! Holz en Bolz - je hoort het al aan hun namen - zijn niet al te slimme rovers die gewoon twaalf zakken zilver en twaalf zakken goud willen beuren, om daarna de prinses ergens los te laten in de wildernis. Het is de rover Schwanzenstolz die het meisje ’s avonds komt toedekken als ze niet kan slapen:

Schwanzenstolz boog zich over haar heen en gaf haar een kus op haar voorhoofd, zo teder als een rover het kan, maar het voelde als een rasp en ze piepte ‘auwauwauw!’

Door een rover als Schwanzenstolz zou je stiekem zelf ook wel ontvoerd willen worden… Holz en Bolz lijken sprekend op het duo uit ‘De vloek van Woestewolf’: Oenk en Boenk. Dat zijn twee rovers die loeren naar de goudkist van dokter Kroch. Maar ook twee rovers die zo mak als lammetjes worden wanneer een oude boerin hen op hun donder geeft.

De rovers keken elkaar aan. Onthutst. Als twee stoute jongetjes, op heterdaad betrapt door hun moeder. Ze hadden geen verweer. Ze gehoorzaamden. Braafjes tilden ze het oude mens op, en droegen haar het bospad af.

De hele vervaarlijke bende uit ‘De twaalf rovers’ lijkt ongelooflijk wild en woest, met hun baarden en stokken en zwaarden en met koperen rinkeldingen aan hun laarzen:

Ze smakten en slurpten en kauwden en knaagden en de botten mikten ze tegen de koperen sierpannen langs de muur, zodat het pongde als de boemketel van een heks.

Maar je begrijpt het al: ook van de twaalf rovers heb je niets te vrezen. Voor een Biegeliaanse rover hoef je nooit bang te zijn. Ze mogen er dan wel ruig en stoer uitzien, stoppelbaarden hebben, naar mannenzweet ruiken en vreselijke liederen zingen, diep in hun rovershart zijn ze galant, romantisch en zelfs keurig en beleefd. Ze zijn gewoon dol op rinkelende goudstukken, dat is alles.

‘Ziezo,’ sprak de rover, zijn broek afkloppend, ‘nu nog even trouwen, dan kan ik eens eindelijk rustig een boek lezen.’

Het is de rover Hoepsika die uiteindelijk deze woorden spreekt, nadat hij mooie Josefine heeft bevrijd uit de klauwen van IJzergreep. Het kan natuurlijk zijn dat hij de sprookjes van Grimm gaat herlezen. Waarschijnlijker is dat Hoepsika een spannend boek wil van een meesterverteller met een rovershart; zo’n hart dat snakt naar avontuur, romantiek en betoverend mooie prinsessen. Gewoon. Hoepsika wil een boek van Paul Biegel.

Lidewij.

‘De rover Hoepsika’
Paul Biegel

Lemniscaat, 2007 (eerder verschenen bij Holland, 1977)
ISBN 978 90 477 5001 7
met illustraties van Carl Hollander

‘De rode prinses’
Paul Biegel

Lemniscaat, 2008 (eerder verschenen bij Holland, 1987)
ISBN 978 90 477 5004 8
met illustraties van Fiel van der Veen

‘De vloek van Woestewolf’
Paul Biegel

Lemniscaat, 2008 (eerder verschenen bij Holland, 1974)
ISBN 978 90 477 5005 5
met illustraties van Carl Hollander

‘De twaalf rovers’
Paul Biegel

Holland, 1971 (niet meer leverbaar)
ISBN 978 90 251 0190 9
met illustraties van Peter Vos

.
.