Uit het schrijversleven van...Anna Woltz

Terug naar lijst
 

Vorig jaar stapte ik voor het eerst van mijn leven een babywinkel binnen. Niet om een zuigfles te kopen, of een kinderwagen of een piepklein roze shirtje met 'lief' erop. Nee, ik kwam een briefje ophangen. Pal naast de kassa, zodat alle vaders en moeders mijn oproep meteen zouden zien. Dit stond er op het briefje:

GEZOCHT: BABY VAN ZEVEN OF ACHT MAANDEN
Welke vader of moeder wil mij babyles geven?
Mijn naam is Anna Woltz en ik schrijf kinderboeken.
In mijn volgende boek komt een baby van zeven maanden voor, maar hoe groot is zo’n kind eigenlijk? Wat eten baby’s? Hoe lang slapen ze? En hoe verschoon je een luier?
Leer het mij!

Tja, dat had ik ook niet gedacht toen ik twaalf was en aan mijn eerste boek begon. Dat ik speciaal voor een verhaal nog eens op ‘babyles’ zou moeten. Maar ik heb zelf nog geen kinderen. Ook geen neefjes, nichtjes en geen vrienden met baby’s. En toch had ik bedacht dat er in mijn nieuwe boek een baby zou voorkomen.

Dat boek heet 'Tien dagen in een gestolen auto' en gaat over Camilla van elf. Helemaal alleen reist ze met de boot naar Zweden. Daar wordt ze opgehaald door twee broers van dertien en zestien. Ze staan met een open auto op haar te wachten. Hun vader is spoorloos verdwenen, maar ze hebben wel een grote kartonnen verhuisdoos op de achterbank van de auto staan. In die doos zit Bibi: een klein krijsend meisje dat ze die ochtend hebben gevonden. Zeven maanden oud. Eén voortand in haar onderkaak. En een vieze luier.
Mijn drie hoofdpersonen hebben totaal geen zin in een baby, maar ze kunnen Bibi toch ook niet zomaar op straat achterlaten. Ze moeten haar verzorgen. Maar hoe? En toen kon ik dus ook niet anders: ik moest op babyles...

Twee lieve moeders belden me op toen ze dat gekke briefje in de babywinkel zagen hangen: ik mocht wel een middagje komen oefenen op hun kind. Urenlang heb ik druk in mijn aantekenschrift zitten schrijven, terwijl de moeders vertelden en de baby’s aten en speelden en jammerden. Ik noteerde hoeveel tanden die kleintjes in hun mond hadden, of ze al konden zitten en hoe het klonk wanneer ze huilden. En later gebruikte ik dat allemaal in mijn boek.

Terwijl ik schreef, was ik eigenlijk wel een beetje blij dat er niet steeds een échte baby om me heen kroop. Schríjven over een kind was al lastig genoeg. Want hoe maakt Camilla een fles melk klaar tijdens het kamperen? En waar laten de hoofdpersonen Bibi, wanneer ze hun ontvoerde vader moeten bevrijden?

Negen maanden geleden begon ik te schrijven. En nu heb ik er dus weer een kind bij. Een nogal rechthoekig persoontje, met oranje ogen en blauwe haren. Ik hoop dat hij later niet gepest zal worden op school, want zijn naam is nogal lang. Maar wel mooi. Hij heet: 'Tien dagen in een gestolen auto'.

Anna Woltz.

 

.
.