Uit het schrijversleven van...Sylvia Weve

Terug naar lijst
 

Ik zit onder mijn kastanjeboom. Ik houd niet zo van de zon. Wel van schaduw. Daarom ben ik naar mijn huis in Frankrijk gegaan: daar is veel zon, dus ook veel schaduw. Er is ook veel tijd. Tijd om dit stukje te schrijven.

Maar over mijn papier loopt een gouden kever. Ze sjouwt een bijna even grote felgroene sprinkhaan mee en gaat daardoor maar langzaam vooruit. Of eigenlijk: achteruit. Want ze duwt niet, ze trekt. Net zo lang tot ze over de rand van de tafel naast de jasmijnstruik vallen.

Gisteren heb ik daar nog wat bloemen van geplukt.
Om te eten.
Ook vlier- en acaciabloesems hebben we in deeg gedoopt en gefrituurd. Het smaakte een beetje naar noten.

De postbode rijdt het erf op. Ze heeft bijna nooit post voor mij, maar komt vaak zo'n klein kopje hele sterke koffie drinken. We eten het laatste stuk chocoladetaart op. Samen met Pierrot, de buurman. Hij helpt me daarna met het snoeien van de perenboom.

Ik zit weer onder de kastanjeboom en zie dat het jonge gasthondje naar de vlinders springt. Die kunnen hoger dan zij. Dus gaat ze de hagedissen die tegen de warme muur klimmen proberen te vangen. Ze gromt van plezier.

 Mijn pen is in het gras gevallen. Een grote oranje naaktslak kruipt er overheen. Hij neemt er alle tijd voor. Ik ga een nieuwe pen zoeken.

 


 In de keuken bijt een reuzenbij een stukje van de ham af. Ik zet hem weer buiten. In de schuur hoor ik dat er jonge zwaluwen zijn. Ik kan ze niet zien. Het nest zit te hoog aan de balken tegen het plafond. Een muisje is in de waterput gevallen en kan er niet op eigen kracht uitklimmen. Dat wordt niets meer met het schrijven van dit stukje. Ik ga het uitstellen tot ik weer terug ben in Amsterdam.
Daar valt niet zo veel te beleven.

Sylvia Weve.


 

.
.