Uit het schrijversleven van...Bette Westera

Terug naar lijst
 

Over de oren van mijn vader

‘Is dat nou leuk, kinderboeken schrijven?’ vragen kinderen vaak aan mij. ‘Het is geweldig,’ zeg ik dan en dat meen ik echt. Eigenlijk zit er maar een nadeel aan: omdat het zo leuk is, gaan een heleboel mensen het doen. Op die manier wordt het dus steeds moeilijker om elke keer weer iets nieuws te bedenken.
Ik weet inmiddels wat ik moet doen als ik even geen ideeën heb: naar de kapper gaan. Dat klinkt misschien vreemd, maar het werkt wel. Het idee voor de verhalen waaraan ik nu werk, kreeg ik terwijl kapster Kim mijn haar knipte. Ik had de hele dag achter de computer gezeten en alleen maar dingen bedacht waarvan ik later bedacht dat een ander ze al had bedacht. Houd maar op, zei ik tegen mijzelf, dat wordt niets meer vandaag.

‘Hoe kan ik het voor u knippen?’ vraagt Kim, als ik fris gewassen in de stoel zit.
‘Geen idee,’ antwoord ik knorrig. ‘Jij bent toch de kapster?’
Jawel,’ zegt Kim,’ maar ik dacht dat u misschien zelf al iets had bedacht.’
‘Nee,’ zeg ik vlug. ‘Daarom ben ik hier juist. Omdat ik helemaal niets kon bedenken vandaag. Bedenk jij maar iets.
Dat laat Kim zich geen twee keer zeggen.
Ze opent haar koffertje en gaat aan de slag.
Mag er ook een kleurtje in?’ vraagt ze vrolijk.
Ik vind het allemaal best.
Terwijl Kim in de weer is met flesjes, potjes, scharen en tondeuses, kijk ik voor me uit.
Daar zit ik dan, in spiegelbeeld.
Met iets te grote oren en nogal rode neus.
Die oren heb ik van mijn vader. Echte Westera-oren zijn het.
Voorzichtig duwt Kim mijn hoofd iets naar links.
Met scheve ogen gluur ik in de spiegel. Die neus lijkt meer op die van mijn moeder. Zij doet er poeder op, maar daaronder is haar neus even rood als de mijne.
‘Nu even omhoog kijken,’ zegt Kim.
Met mijn hoofd in mijn nek kan ik nog net mijn spiegelbeeld zien.
Zo lijkt mijn neus op die van ome Bert: een varkensneus met grote gaten, waar kleine, blonde haartjes uit groeien. Misschien kan Kim die meteen even bijknippen. Zou ik daar dan extra voor moeten betalen of niet?
Eindelijk knoopt Kim mijn kapmantel los en borstelt de losse haartjes uit mijn hals.
‘Ik zal u nog even de achterkant laten zien,’ zegt ze.
Ze beweegt een grote, ronde spiegel achter mijn hoofd heen en weer.
Ik bekijk mezelf van alle kanten.
Ik zie mijn vaders oren van achteren en mijn moeders neus van opzij. Ik herken de nek van tante Trees en de kin van tante Adelheid. En opeens weet ik het.
Ik weet waarover ik ga schrijven.
Over mijzelf en mijn familie.
Over de oren van mijn vader en de neus van ome Bert.
Over de pukkels van mijn broer en de knoken van tante Nel (die dood is).
Dat heeft niemand nog gedaan, dat weet ik zeker.
Want niemand heeft zo’n bijzondere familie als ik.
Behalve de rest van mijn familie natuurlijk, maar dat is logisch.

Bette Westera.


 

.
.