Uit het schrijversleven van...Jacques Vriens

Terug naar lijst
 

'Stomme Vriens'

Het begon allemaal in het hotel van mijn ouders. We hadden daar een toneelzaaltje waar mijn broer en ik, samen met vriendjes en vriendinnetjes voorstellingen gaven.
Op woensdagmiddag flansten we met z'n allen een toneelvoorstelling in elkaar.
Een uurtje later mocht het publiek binnenkomen. Dat waren de kinderen uit de buurt die niet meededen. We speelden vaak sprookjes. Bijvoorbeeld 'De gelaarsde kat', 'Sneeuwwitje' of 'Hans en Grietje'.
Vlak voor de voorstelling kregen we nog al eens ruzie. Ik zei dan per ongeluk tegen mijn buurmeisje dat ze héél erg geschikt was voor de rol van heks. Ik bedoelde het heel aardig, echt waar, maar zij werd kwaad en vertrok. Zaten we zonder heks. Haar vriendin (die 'Grietje' speelde) riep: 'Stomme Vriens' en ging er ook vandoor.
En toen we 'Sneeuwwitje' opvoerden, kregen de kabouters heibel. Ik had mezelf uitgeroepen tot 'hoofdkabouter'. Dat pikte de andere niet en twee kabouters verlieten boos de toneelzaal terwijl ze riepen: 'Jij denkt zeker dat je de baas bent!'.
Zo werd het 'Sneeuwwitje en de vijf dwergen'. Ik vond het prima, als we maar speelden, maar mijn broer zei: 'Het kan niet doorgaan, want nu klopt het sprookje niet meer.' Dat vond ik onzin en toen kregen mijn broer en ik ruzie.
 

Op een dag besloot ik alles op te schrijven, zodat iedereen van tevoren precies wist hoe het stuk in elkaar zat. Dat werkte prima. We repeteerden een paar keer en daarna speelden we eindelijk eens een goede voorstelling.
Zo ontdekte ik dat toneelstukken schrijven leuk was en al gauw begon ik ook verhalen te maken.
Maar ik ben ook altijd blijven toneelspelen. Het is nog steeds mijn grootse hobby, natuurlijk sámen met het schrijven van boeken. Sinds acht jaar is 'kinderboekenschrijver' zelfs mijn beroep geworden. Daarvoor ben ik bijna vijfentwintig jaar met héél veel lol schoolmeester geweest (meester Jaap lijkt wel op mij), maar ik vond het ook fijn dat ik van mijn hobby mijn beroep kon maken.
En weet je wat grappig is? Als ik schrijf, speel ik eigenlijk ook toneel. Ik duik dan zo in het verhaal dat het net is of ik zélf meespeel in het boek. Ik speel alle rollen en ik heb nooit ruzie met mezelf over de rolverdeling.
 

Ik sta trouwens ook nog echt op het toneel. Dat komt zo: vorig jaar schreef ik het boek 'O, mijn lieve Augustijn…'. Ik vertel daarin de sprookjes opnieuw zoals ik ze vroeger aan mijn kinderen Boris en Casper vertelde. Lekker spannend maar ook met veel grappen erin.
Van twee verhalen uit de boek maakte ik een theatervoorstelling. Ik vertel dan de sprookjes op het toneel, maar speel ook alle figuren. Daarbij gebruik ik veel lichteffecten en muziek. Gelukkig weet mijn zoon Casper daar alles van en helpt me daarbij. Samen met hem is het nog leuker en ik kan me lekker uitleven op het toneel.
Maar soms gaat het wel eens mis en krijg ik toch weer ruzie.
 

Vorig jaar moest ik optreden voor achthonderd kinderen in een theater. Er werd een groot kinderboekenfeest gehouden. Ik had tegen de mensen van de organisatie gezegd dat ik mínstens een uur van tevoren op het toneel wilde zijn om het decor op te bouwen en de lichten goed te hangen.
Toen ik in het theater kwam, was er een grote dansgroep van meisjes van een jaar of achttien aan het oefenen op het toneel. Die zouden ná mij optreden.
'Ik moet nu mijn voorstelling voorbereiden,' zei ik, 'want over een uur ga ik spelen. Vinden jullie het erg om op te houden met oefenen?'
Volgens de meiden kon dat écht niet.
'Ja maar, ik moet alles nog klaarzetten,' zei ik en ik werd een beetje zenuwachtig..
Ze gingen stug door met oefenen
Ik riep: 'Nu moeten jullie weggaan, anders word ik boos!'
'Wie denk je wel dat je bent!' riep de leidster van de dansgroep en alle andere meiden (het waren er zeker veertig) keken mij woedend aan. Ze waren geschminkt als duivels dus dat zag er behoorlijk woest uit. Toen vertrok ik maar en ik ging naar de baas van het hele feest.
 

Die snapte het meteen. Als je een voorstelling voor achthonderd kinderen gaat spelen, moet je die ook goed kunnen voorbereiden. De baas legde de meisjes uit dat er een vergissing was gemaakt en stuurden ze weg. Ze kregen wel een ander zaaltje om te oefenen, maar dat wilden ze niet en toen werden zij boos.
Vlak voor de voorstelling liep ik nog even naar mijn kleedkamer. Ik kwam twee meisjes van de groep tegen in de gang. Een knappe en een iets minder knappe.
'Ben jij Jacques Vriens?' snauwde de iets minder knappe.
'Ja,' antwoordde ik.
'Nou,' riep de knappe, 'ik heb vroeger alle boeken van jou verzameld. Ik was fan. Maar nu ga ik ze allemaal kapot scheuren!'
Ik probeerde nog uit te leggen dat ik er écht niks aan kon doen. Dat het een fout van de organisatie was.
De meiden stampten boos hun eigen kleedkamer in. En vlak voordat ze de deur dicht gooiden, riepen ze nog: 'Stomme Vriens, jij denkt zeker dat je hier de baas bent!'.
En het leek wel of ik weer terug was in het toneelzaaltje van het hotel van mijn ouders…

Jacques Vriens.
 

.
.