Uit het schrijversleven van...Marit Törnqvist

Terug naar lijst
 

Vroeger, toen ik nog op mezelf woonde, dacht ik dat ik alleen goed kon tekenen in mijn pyjama. En het liefst al om 6 uur 's ochtends, in mijn eigen slaapkamer waar ook een grote tekentafel stond. Met een kopje koffie en uitzicht op een moskee waar mannen hun voeten wasten.
Als er aan de deur gebeld werd, deed ik niet open.

Nu heb ik een man en twee kinderen en ik moet elke ochtend boterhammen smeren en haren vlechten en op school met allerlei ouders praten over groepsuitstapjes en luizenplagen. Daarna kan ik pas aan het werk. Ik doe dan niet weer opnieuw mijn pyjama aan.

Ik sluip naar mijn zolder, waar niemand mag komen, en zet koffie. Ik zoek mooie muziek, die past bij de tekeningen die ik maak, en ga heel lang uit mijn raam kijken. Geen moskee meer, maar de Westertoren.

Het leuke is dat ik nu nog steeds kan tekenen. Ik zou vroeger niet gedacht hebben dat ik ooit een Gouden Penseel kon winnen met een boek dat ik niet in mijn pyjama gemaakt had. Op mijn atelier, dat schreef ik al, mag bijna niemand komen. Mijn man belt altijd even op, voordat hij naar boven loopt. Dan kan ik alles wat ik maak snel verstoppen. Dat moet ik doen, omdat ik het helemaal niet leuk vind als iemand iets ziet wat half af is.

Mijn man zou dan bijvoorbeeld kunnen zeggen dat het best gek is zo'n groene lucht, en dan denk ik meteen dat hij gelijk heeft. Later heb ik daar dan misschien weer spijt van. Als hij niks zegt, vind ik het ook vervelend, dan ga ik zelf verzinnen dat hij het allemaal maar raar vindt wat ik heb gemaakt. Kortom, hij kan maar beter niet samen met mijn tekeningen in het atelier zijn.

Mijn kinderen mogen wel boven spelen of schilderen. Zij zien heel soms iets dat er per ongeluk nog ligt. Toen ik net aan 'Pikkuhenki' begonnen was, zag mijn oudste dochter een tekening die bijna af was, en ze zei alleen maar: 'WAUW!'
Dat was natuurlijk heel fijn!

Nu is het kinderboekenweek en kom ik bijna niet in mijn atelier, omdat ik steeds naar boekhandels ga en naar kinderboekenweekfeesten en bibliotheken. Dat hoort erbij. Ik vind het leuk en niet leuk tegelijk. Het niet leuke is dat ik weken niet kan tekenen en als ik lang niet teken, word ik prikkelbaar, alsof er allemaal gif in mijn hoofd zit. Daar kan mijn familie dan last van krijgen. Ik zelf trouwens ook, ik krijg vaker nachtmerries.

Een ander niet leuk ding is dat de mensen allemaal willen dat ik voor ze teken, in de boeken, of op schoolborden, of flip-overs. Ik word daar doodzenuwachtig van. Die tekening lijkt toch nooit op wat ik na weken proberen in mijn atelier maak. Een schrijver hoeft toch ook niet met iedereen erbij een hoofdstuk te schrijven!
Soms doe ik het toch, met trillende hand. En bijna altijd roepen ze 'WAUW!'
Maar het liefst vertel ik over het maken van een boek en hoe ingewikkeld dat is en hoeveel je moet weggooien. Want dat een boek illustreren wel twee jaar kan duren, dat weet bijna niemand.

Marit Törnqvist.


 

.
.