Uit het schrijversleven van...Carry Slee

Terug naar lijst
 

Ik was uitgenodigd voor een lezing ergens in het land. De bibliothecaris had me van de trein gehaald. Ze hield de autodeur voor me open en tilde mijn koffer uit de achterbak.
‘Nee, die draag ik voor u,’ zei ze toen ik hem wilde overnemen. ‘Ik vind het al zo’n eer dat u hier helemaal naar toe bent gekomen. We gaan door de achterdeur, ze mogen u niet zien.’ Ze loodste me een ijzeren deur door.
Hartelijk welkom,’ zei ze toen we binnen waren en ze stelde me voor aan de andere medewerkers. ‘Wilt u thee of koffie?’
Thee.’ Ik had het nog niet uitgesproken of het stond al voor mijn neus. ‘We zijn toch zo blij dat u er bent. We hebben vanochtend nog de spoorwegen gebeld, maar gelukkig had uw trein geen vertraging. Toch had ik pas rust toen ik u de trein uit zag komen. Wilt u geloven dat ik al twee nachten geen oog heb dicht gedaan. Maar dat geeft allemaal niks, als het maar goed gaat. Ik neem u eerst mee naar boven als u het goed vindt. U hebt toch niks tegen trappen lopen, hoop ik? Anders is er een lift. Maar die is niet altijd betrouwbaar. Vorige week bleef-ie zomaar hangen. Ik moet er niet aan denken. Of wilt u toch liever met de lift?’
‘Nee, dank u,’ zei ik.
‘Ik zet uw koffer hiernaast, dat is een afgesloten ruimte, daar staat-ie veilig.’ Ze ging me voor de trap op.

Gaat het wel?’ vroeg ze. ‘Het is een prettige trap vindt u niet?’
‘We hoeven er maar één hoor.’
Boven aan de trap bleef ze even wachten. ‘Ik vind het zo spannend om u te vertellen wat we hebben bedacht. Het is zo leuk!’
‘U zal wel denken, wat een kale boel, maar het feest is niet in de bibliotheek. We nemen u straks mee door het dorp om uiteindelijk in de schouwburg te belanden. Nee, uw bezoek gaat hier niet ongemerkt voorbij. Pas op dat u zich niet stoot. Het is hier laag. Even kijken.’
Ze deed het licht aan en wees op een kast.
‘Het was mijn plan. We hebben zo lang nagedacht. Je moet toch steeds iets nieuws verzinnen. En ineens had ik het: ze moeten haar zoeken. Als u zich nou in deze kast verstopt.’ Terwijl ze de deur open hield keek ze me glunderend aan.
‘Dat heeft u nog niet mee gemaakt, of wel?’
‘Nee,’ zei ik.

U vindt het toch niet erg?’ vroeg ze toen ik in de kast stond, want dan moet u het zeggen hoor!’
De deur van de kast ging dicht. Beneden hoorde ik lawaai van kinderen die de bibliotheek binnen stormden. De stem van de bibliothecaris bulderde erboven uit. En toen werd het stil. ‘Daar is de koets al!’ hoorde ik de kinderen roepen.
‘Een koets…? Ik had niet lang om me erover te verbazen want ik hoorde de fanfare.
De kinderen holden de trap op.
‘Warm…! Warm…!’ riep de vrouw van de bibliotheek.
‘Hééééét…!’ En toen ging de kast open.

Carry Slee.
 

.
.