Uit het schrijversleven van...Rom Molemaker

Terug naar lijst
 

De wereld

Als je van de trap af valt, ben je gauw beneden, zeggen ze. Dat heb ik laatst even uitgeprobeerd, en ja, het klopt. Leuk was het niet, trouwens. Ik heb twee dagen in het ziekenhuis gelegen en kon, toen ik weer thuis was, twee weken niet schrijven, omdat ik niet kon zitten. In die twee weken ben ik erachter gekomen hoe belangrijk schrijven voor mij is.
Mijn werkkamer is mijn thuis. Als ik aan mijn bureau zit, met een groot raam voor me, met naast me de radio en een pot koffie, ben ik in mijn element.
Een radio?
Jazeker.
Er zijn schrijvers die alleen maar goed kunnen werken als het helemaal stil om hen heen is. Dan kan ik het juist niet. Het is voor mij belangrijk om deel uit te maken van de wereld. Misschien is het omdat de verhalen van bijna al mijn boeken zich daar afspelen.
Schrijven bestaat bij mij voor een belangrijk deel uit zoeken, luisteren en om me heen kijken. Ik luister in de trein ook graag mee met gevoerde telefoongesprekken. Je weet maar nooit. Breek ik dan in hun privacy in? Moeten ze maar niet zo hard in die dingen praten.
Er zat laatst pal achter me een jongeman die, luid en duidelijk, via de telefoon zijn verkering uitmaakte. Niet leuk, en eigenlijk had ik op moeten staan om tegen hem te zeggen dat hij een lafaard en een lomperik was, maar dat deed ik niet. Ik ben een schrijver en ik moet de informatie alleen maar binnen laten komen. Pas als ik ga schrijven doe ik er, soms, iets mee.
Het gebeurt natuurlijk ook wel dat ik gericht zoek. Voor ‘Een gang met gele deuren’, dat over een meisje in de jeugdgevangenis gaat, ben ik in zo’n gevangenis op bezoek geweest. Voor ‘Uit de schaduw’ heb ik gesprekken gevoerd met een jonge violist, en bezocht ik de vrouwengevangenis.
In maart komt mijn nieuwe boek uit: ‘Moord op school’, een thriller. Het verhaal speelt zich af op een scholengemeenschap. Dus ging ik regelmatig op bezoek bij het St-Gregorius College in Utrecht. Om inspiratie op te doen, lessen bij te wonen en met leerlingen te praten. En vooral ook met de conciërge. (Belangrijk!) Dat maakt het boek levend, en zo kom ik ook onder de mensen.
En dan, als ik echt aan het schrijven ga, ben ik alleen. Niet eenzaam, maar alleen. Want ik bouw mijn verhaal, en zie buiten de bladeren van de grote berkenboom verkleuren en loslaten.
Ik verzin nog iets om het boek extra spannend te maken, en ik zie stratenmakers die aan het werk zijn.
Ik denk na over een goed einde van het boek, een van de moeilijkste onderdelen, vind ik. Buiten komt de postbode voorbij, en lijn drie stopt bij de halte.
Ik schenk nog een keer koffie in. Iemand zegt iets op de radio, en ik zeg iets terug. Ik zit midden in de wereld.
En opeens heb ik het.
Het einde dat ik zocht.

.
.