Uit het schrijversleven van...Rob Ruggenberg

Terug naar lijst
 

Mijn hart slaat een slag over

De reis duurt drie dagen. Doodmoe kom ik aan. Een piepklein dorpje, aan de oostkust van Groenland. Hier wil ik een maand lang werken aan een nieuw boek.
Het laatste deel van de reis ging met een bootje, tussen ijsbergen door, zo hoog als kerktorens. Wat een fantastisch leven heeft een kinderboekenschrijver toch.
Als het bootje naar de rotspunt vaart waar ik aan land moet klimmen, zie ik een oude Groenlander staan. Hij wijst en roept iets. Ik versta hem niet. Als ik op de rots spring glij ik meteen uit. Het is hier spekglad! Daar had die man mij natuurlijk voor willen waarschuwen.

Een uur later weet ik dat ik een grote fout heb gemaakt. Ik versta niemand. Ook de mensen niet bij wie ik mag logeren. Als ik zeg dat ik dorst heb, lachen ze me vriendelijk toe maar ik krijg geen slok te drinken. Als ik vraag waar ik moet slapen knikken ze, maar ze blijven gewoon zitten.

Met behulp van gebarentaal, alsof we een soort Hints spelen, lukt het ten slotte om mijn maag te vullen en een bed te vinden. ´s Nachts lig ik te piekeren. Dit loopt helemaal fout! Voor mijn boek wil ik weten hoe Groenlanders leven. Ik wil weten hoe ze aan eten komen, hoe ze die vreselijke poolwinters doorstaan – als het dag en nacht donker is en het dertig graden vriest.

Maar hoe moet ik daarachter komen als ik niemand kan verstaan? Ik mag al blij zijn als ik heelhuids terugkom.

De volgende dag zwerf ik door het dorpje. Wanhopig spreek ik iedereen aan die ik tegenkom. Maar de mensen spreken alleen Groenlands, sommigen ook een beetje Deens, maar daar ken ík weer niets van.

Aan het eind van de dag zit ik somber op de begraafplaats. Ik kijk uit over het water, waarin ijsschotsen en spierwitte ijsbergen drijven.
En dan: kinderstemmen. Het schooltje gaat uit.

De kinderen lopen de begraafplaats op. Ze zijn nieuwsgierig naar die vreemdeling.
“Hello mister,” zegt de dapperste, een meisje van een jaar of tien.
Mijn hart slaat een slag over. ‘Do you speak English?’ vraag ik.
Het meisje knikt. Engels, dat hebben ze op school geleerd van een oude onderwijzer die er nu niet meer is.
Ik kan wel dansen van geluk.
In de weken daarna vertalen de kinderen álles. Ze zijn bij elk gesprek, ze gaan mee op elke ontdekkingsreis over het ijs. Ik zit bij de kinderen aan tafel en eet mee, iedere dag zeehondenvlees en walvisstaartsoep. En de kinderen leggen álles uit.

Langzaam begin ik te begrijpen wat voor bijzonder leven Nunôk – de hoofdpersoon in mijn boek – moet hebben gehad. Wat een avonturen!
Het boek – IJsbarbaar – is een paar weken geleden verschenen. Dankzij Orpa, Pula, Silpa, Tobias, Jensine, Birthe, Juliana, Samuel – en al die andere kinderen van Groenland. Dank jullie wel!

Rob Ruggenberg.

Vandaag eten we zeehond. Birthe (10 jaar, links) lepelt eerst haar zeehondensoep op. Haar zus Juliana (11) eet liever walvis met brood. Rechts zie je nog net de hand van hun grootvader, die met zijn Zwitserse zakmes stukjes van de zeehond snijdt.

.
.