Uit het schrijversleven van...Reggie Naus

Terug naar lijst
 

Inspiratie is erg belangrijk voor schrijvers.
Sommigen laten zich inspireren door dingen die ze zelf hebben meegemaakt.
Als je boeken schrijft over pesten, of over schoolreisjes, is dat nog wel te doen, maar wat als je boeken schrijft over piraten en griezels?
Dan gebruik je natuurlijk vooral je fantasie.

En toch heb ik dingen meegemaakt die me geïnspireerd hebben.
Een piraat ben ik helaas nooit geweest, maar ik ben een echte net niet-held. Eentje die heel veel bijna-avonturen meemaakt.
Als ik ooit mijn autobiografie mag schrijven wordt dat de titel:
 

De bijna-avonturen van een net niet-held.
Zo ben ik ooit op jacht gegaan naar het monster van Loch Ness.
Een week lang heb ik op een afgelegen plek aan de oever van het meer gezeten, gewapend met mijn videocamera, wachtend op het monster.
Nu is een week erg kort, dus het zal niemand verbazen dat het monster zich niet liet zien.
Uiteindelijk heb ik maar een plastic monster gekocht in een souvenirwinkel.
Een groene plesiosaurus met een hele lange nek. En als ik erin kneep, piepte hij. Dat is niet belangrijk, maar ik vond het erg grappig.
Met het twintig centimeter grote monster in mijn tas ben ik terug naar het meer geslopen en heb het wezen in het water gelegd.

De foto’s die ik maakte zullen niemand overtuigen van het bestaan van het monster, maar ze zagen er leuk uit in mijn fotoalbum.
Maar de grote verrassing kwam toen ik weer thuis was. Ik zat de beelden die ik had gefilmd te bekijken, toen ik opeens iets vreemds zag.
Een grijs rond iets dat even boven water kwam en snel weer onderdook terwijl ik nietsvermoedend een mooi uitzicht aan het filmen was.
Dus misschien heb ik bijna het monster van Loch Ness gezien.
Of een zalm of een zeehond. Maar een monster is natuurlijk veel spannender!

En dan was er nog de misschien-weerwolf.
Op een donkere nacht zat ik met mijn vriendin te picknicken in een bos, toen we in de verte opeens koeien hoorden die paniekerig loeiden.
‘Waar zouden ze zo bang voor zijn?’ vroeg ik. ‘Een weerwolf?’
De woorden waren mijn mond nog niet uit, of we hoorden vanuit de verte een langgerekt, spookachtig gehuil. En het klonk niet als een hond. Nee, dit klonk groot, gemeen en treurig tegelijk. Zoals een zichzelf respecterende weerwolf hoort te klinken.
We hebben onze picknick voor alle zekerheid toch maar wat vroeger afgebroken, want boeken schrijven gaat zo moeilijk vanuit de maag van een weerwolf.

Van zulke bijna-avonturen kan een schrijver hele verhalen maken, want wij schrijvers zijn natuurlijk gewoon mensen die goed zijn in dingen uit onze duim zuigen.
En dan is er nog de ufo die over mijn balkon vloog.
Maar dat is weer een ander verhaal.

Reggie Naus.

.
.