Uit het schrijversleven van...Anne Provoost

Terug naar lijst
 

Mag het ook een gedicht zijn?

Ik ben op bezoek bij de lagere school van Atang aan de rand van Bloemfontein in Zuid-Afrika. De onderdirectrice leidt me binnen in een grote, lage zaal met een groep tieners van uiteenlopende leeftijden. Minstens honderdvijftig zijn het er, sommigen lijken geen tien, maar de meeste jongens hebben al de baard in de keel. Hun armoedigheid doet me schrikken, evenzeer als het feit dat ze met zo velen zijn. Drie klassen van graad zes zijn het, één klas bestaat hier makkelijk uit zestig leerlingen.

‘Neem een foto,’ fluistert de onderdirectrice me toe. Ik doe het werktuigelijk, maar uit ervaring weet ik dat ik wat hier aan de hand is niet op foto kan vastleggen. Een keer gekiekt, lijken deze jongeren vooral vertederend en exotisch. Wat je niet registreert, is de beduimeldheid, de versletenheid van hun synthetische uniformbloesjes, de geur van de grauwheid in hun hemden, de magerte die je voelt als je je hand op hun schouders legt. Na de foto wil ze dat ik iets zeg. Het is warm in het zaaltje, de ramen staan wijd open, ik weet niet of ze me achteraan kunnen horen. Ik moet schreeuwen om verstaanbaar te zijn.

‘Houden jullie ervan om naar verhalen te luisteren?’ probeer ik. ‘Houden jullie ervan om zelf verhalen te vertellen? Ik ben een verteller van verhalen. Ik ben een schrijver.’ Ze kijken me wezenloos aan. Is het mijn Engels, mijn accent waardoor ze me niet begrijpen? Of ligt het eraan dat ik in niets lijk op de verhalenvertellers die zij kennen? Hun oogopslag brengt me van mijn stuk. Net zoals overal in Afrika valt me op dat hier twee soorten blikken zijn. Er is de alerte, geboeide blik van nieuwsgierige kinderen zoals je die in elk land tegenkomt, maar ook de waterige, ontstoken blik van de ondervoeding. In het voorbijgaan hebben we in de leraarskamer de stapels boterhammen zien liggen. Voor ieder kind drie sneden brood, waarvan één besmeerd met rode jam. De school neemt het op zich te zorgen dat de kinderen dagelijks minstens één maaltijd krijgen. ‘Sinds ons voedselprogramma goed loopt, zien we de kinderen groeien,’ heeft de onderdirectrice gezegd. Hier te staan, voor een klas van honderdvijftig jongeren die alleen op de derde boterham een laagje jam krijgen, vervult me van gêne.

De onderdirectrice komt me te hulp. Ze pakt het boek, dat ik bij me heb, uit mijn handen en houdt het hoog in de lucht. ‘Anne is een schrijfster, ze heeft dit boek geschreven. Kijk maar, haar foto staat op de achterzijde,’ roept ze door de zaal. De jongeren knikken, turen naar de foto, maken geluidjes van bewondering. ‘Waar gaat het over, Anne?’ gaat de onderdirectrice verder, ‘Anne gaat jullie nu vertellen waar dit boek over gaat!’ Ik probeer moeizaam uit te leggen wat ik in ‘Mijn tante is een grindewal’ heb beschreven. Kunnen ze zich iets voorstellen bij het stranden van walvissen? Kunnen ze zich zelfs maar iets voorstellen bij een strand en de zee? Hoe vertel ik dat dit boek gaat over seksuele kindermishandeling? In normale omstandigheden heb ik nu een betoog klaar over ‘vertelplezier’ en ‘leeshonger’, maar vandaag krijg ik die woorden niet over mijn lippen.

Ik besef dat ik het over een andere boeg moet gooien. ‘Hebben jullie een verhaal?’ vraag ik. ‘Is er iets wat jullie willen vertellen? Als jullie het opschrijven zal ik het lezen en aan de jongeren in België en Nederland doorvertellen.’ De ogen van de onderdirectrice schitteren. ‘Luister naar deze uitdaging!’ roept ze over het geroezemoes heen. ‘Vertel jullie verhaal, hoe verschrikkelijk het ook is. Schrijf het op en geef het aan de schrijfster. Schrijf bij voorkeur in het Engels, maar het mag ook in je eigen taal: Sesotho, Xhosa, Zoeloe, wat je verkiest. We zullen de juf vragen je verhaal voor Anne te vertalen.’ De jongeren veren op. Een verhaal hebben ze wel, ze willen wel vertellen. Een groepje meisjes komt naar voor om een Zoeloedans op te voeren waarbij ze geknield hun dijen, schouders en rug laten bewegen. Nu ze knielen valt op hoeveel gaten in hun schoenzolen zitten.

‘Denkt u dat ze wat ze te vertellen hebben, kunnen opschrijven?’ vraagt de onderdirectrice aan de leraar, die tegen de muur geleund staat. De leraar schudt het hoofd. ‘Hier zijn ze niet klaar voor,’ antwoordt hij. De onderdirectrice negeert zijn antwoord en herhaalt haar oproep. Ik weet niet wat ik moet denken. Ik wil enthousiast zijn als zij, maar onthoud vooral de sceptische blik van de leraar.

Totdat, helemaal op het einde van het lesuur, een kleine jongen op de eerste rij in een grauw hemd en verschoten das zijn hand opsteekt. ‘Mag het ook een gedicht zijn?’ vraagt hij in correct Engels. Een paar seconden lang zegt niemand iets. Dat het woord ‘gedicht’ tussen deze muren valt, is onverwacht. Zoals overal ter wereld hebben de volwassenen de kinderen onderschat. De onderdirectrice grijpt de jongen vast en duwt hem naar me toe. ‘Hoor je dat?’ vraagt ze me, ‘hoor je hoe slim hij is? Maak een foto van deze jongen, dan weet je als je thuiskomt dat hij de dichter is.’

Mijn mond is kurkdroog als ik de klas verlaat. We komen weer voorbij de leraarskamer. De stapels boterhammen zijn verdwenen. Buiten in de patio zitten de kleintjes te eten. Het sneetje met de jam houden ze voor laatst.

Anne Provoost.

.
.