Uit het schrijversleven van...Selma Noort

Terug naar lijst
 

Scrhijvers op de paardentram 

Op een dag ging ik met de trein naar een kinderboekenweekfeest ergens in een grote stad om te voorlezen, te vertellen en handtekeningen uit te delen. En kijk, dat was nou gezellig - er stond al een hele groep collega's in die stad voor het station te koukleumen in de harde oktoberwind. Ze zwaaiden naar me en ik liep naar ze toe.


'Hallo! Hoe gaat het? Zeg, door wie worden we eigenlijk opgehaald?'
Een collega vertelde me dat we zouden worden opgehaald door een paardentram. Dat is een tram van vroeger die nog getrokken werd door paarden. Ze wees in de verte, daar kwam hij al aan. Twee zware, gespierde paarden dansten onrustig voor de tram. Bovenop zaten twee stokoude mannen met rode neuzen, zwarte hoeden op, en in deftige kleren van vroeger. Die mannen waren vast nog echt bestuurders op de paardentram geweest. Een beetje lacherig klommen we in de tram. We voelden ons zo ongeveer als de koningin zich moet voelen in de gouden koets. We zwaaiden naar de kinderen die met ballonnen langs de kant van de weg stonden. En naar de vaders en moeders en de mevrouwen van de bibliotheek die het feest organiseerden. Het was de bedoeling dat al deze mensen in optocht achter ons aan zouden lopen.

Maar… de tram sloeg op hol, nou ja, de paarden dan. En de oude mannen zagen eruit alsof ze het aan hun hart kregen. We schrijvers gilden en zeiden heel lelijke woorden van schrik en angst. En al die vaders en moeders met kinderen en kinderwagens, de dikke en dunne bibliothecaressen, de kleuters met ballonnen, de schoolkinderen die gierden van de lach… ze renden achter de tram aan. Dwars over pleinen en straten, hoppa door een rood stoplicht! Waaah, over een druk kruispunt! Mijn collega's en ik klemden ons vast aan de stangen boven de bankjes. Als die oude mannen die paarden nu maar in bedwang kregen…

De paarden wilden om de een of andere reden naar het stadhuis, en pas daar stopten ze voor de deur, dampend en stampend. Bevend klommen we de paardentram uit. In de verte kwamen, gillend en roepend, de vaders en moeders, de kinderen en de bibliothecaressen aan. Het hele verkeer in de stad stond stil van schrik door die op hol geslagen historische paardentram vol kinderboekenschrijvers, en door al die rennende mensen midden op straat.

De oude mannen op de bok van de tram leefden nog, maar hielden wel hun hart vast en vroegen om een slokje sterke drank. Wij leefden nog, en dat is ook wat waard. En alle mensen die met gevaar voor eigen leven achter de tram waren aangerend leefden ook nog, en dat mag een wonder zijn.
Ik heb heel wat rare dingen meegemaakt in kinderboekenweken, maar dit was toch echt een van de gekste gebeurtenissen.

Selma Noort.

 

.
.