Uit het schrijversleven van...Milan Hofmans

Terug naar lijst
 

De strijd

Af en toe komen ze overdag, in een beheersbaar tempo. Op een tijd dat het uitkomt en ik op ze zit te wachten.
Die momenten zijn leuk, maar uitzonderlijk.
Want meestal is het nacht, tussen de donkere uren en de eerste beloftes van schemering. Wanneer mijn ademhaling rustig is, en mijn hartslag het getik van de klok niet bijhoudt. Juist rond die tijd dienen ze zich vaak aan, en allemaal tegelijk.

Een paar dagen geleden nog overvielen ze me, met het idee voor deze column. Het was zo rond 03.30.

Ze duwden en trokken onderling, om een plek in de voorste linies te bemachtigen. Het was een ware invasie. Een letterleger dat massaal en geïnspireerd bij me binnenviel. Van mijn ene zij op de andere draaien hielp net zo min als een kussen over mijn hoofd leggen. Deze strijd was vlug gestreden – ik werd wakker.

Om mijn vriendin hier niet bij te betrekken, probeerde ik eerst in stilte aantekeningen te maken op een kladblok, bij het groene licht van de wekker. Maar de belegering van de letters, woorden en zinnen was van zo’n omvang, dat ik meer licht nodig had om te overzien wat ik allemaal opschreef. Het vrouwenlijf naast me gaf gelukkig geen krimp toen ik het bedlampje aandeed. Met half dichtgeknepen ogen schreef ik door. Deze letters zijn belangrijk, ging door me heen. Dit ís iets. Al snel zag ik dat mijn slaperige handschrift hier niet voldeed: de tekens op het kladblok deden me nauwelijks denken aan Nederlandse taal. Ik moest opstaan. Want wat als dit echt zo belangrijk was als ik vermoedde? Ik kon niet riskeren dat ik een moment van briljante tekstinval liet schieten voor wat bedrust.

Met een zucht hees ik mezelf omhoog. Woorden overheersen me, dacht ik onderweg naar mijn werktafel, terwijl ik het altijd aan anderen wil laten lijken alsof ik hen de baas ben. Rembrandt de hond leek wel blij dat ik al opstond, hij kwam aan mijn voeten liggen. Ik startte de computer op en ging aan het werk. Regeltjes in regels, zin en onzin in zinnen, mijn vingers tiktikten op de toetsen. Er ontstond een tekst en na twee uur lag ik weer in bed.

Om tien uur werd ik opnieuw wakker. Mijn vriendin was al lang de deur uit. Een zwaar hoofd herinnerde me aan de veldslag van een paar uur geleden. Op het kladblok naast me zag ik onleesbaar gekrabbel, de oorlogsmonumenten. Maar de gedachte aan wat ik op de computer had gedaan, deed mij uit bed springen. Nieuw werk! Misschien had ik wel de volledige column geschreven, of een deel ervan. Een alinea of een paar geweldige zinnen zou ook al mooi zijn.

Toen ik met mijn ontbijt weer achter het beeldscherm zat, overzag ik mijn nachtelijke arbeid. Het was minder veelbelovend dan ik hoopte, maar er schemerde zeker iets bruikbaars. Ik vatte moed en ging ermee aan het werk.

Het kostte tijd, en inspanning. Ik moest mijn best doen om het plan weer helder in te zien, om opnieuw te begrijpen wat er vannacht was bedoeld.

Maar na het middaguur, terwijl ik dacht dat ik nog hard op zoek was naar de juiste volgorde van mijn betoog en alle woorden, verscheen daar ineens het eind. Deze column was af. Waar er een dag eerder zoveel manieren leken te bestaan waarop dit kon worden geschreven, stond er nu ineens een tekst waarvan ik me niet kon voorstellen dat deze in een andere vorm kon bestaan. Ik glimlachte trots, en voelde me goed de rest van de dag. Omdat de letters, woorden, zinnen zich ook een beetje door mij hadden laten beheersen.

Maar die avond, met tandpastaschuim op mijn mond voor de badkamerspiegel, voelde ik alweer onrust opkomen over het volgende dat ik moest schrijven. Zouden ze weer komen? Mijn vrees voor een nieuwe nachtelijke invasie was net zo groot als mijn hoop erop.

 

.
.