Uit het schrijversleven van...Tosca Menten

Terug naar lijst
 

Weten jullie dat ik heel vaak naar scholen ga? Dan vraag ik aan kinderen waarom schrijven een leuk beroep is. En dan antwoorden kinderen altijd: ‘Dat je lekker je eigen fantasie kan gebruiken.’ Nou, dat is helemaal waar. Ik mag de hele dag lekker zelf verzinnen wat ik opschrijf, en als ik uitgefantaseerd ben, heb ik nog een boek ook. Geweldig, toch?

Er is maar één nadeel aan al dat gefantaseer: ik kan er niet mee stoppen. Ik fantaseer me een ongeluk, soms ploft mijn hoofd er bijna van. Dan is mijn hoofd een reuzen soeppan vol ideeënsoep. Wat daar allemaal niet rond borrelt! Grote en kleine plannen, goede en waardeloze verzinsels, gekke en nog gekkere hoofdpersonen. Zo’n dikke maaltijdsoep met alles erop en erin en eraan, en als ik niks opschrijf, kook ik gewoon over. Iedere dag krijg ik wel honderd nieuwe ideetjes (en soms ’s nachts ook nog een aantal), en die wil ik allemaal opschrijven. Vlug-vlug-vlug, want anders ben ik ze weer kwijt. En ondertussen blijven er maar nieuwe komen. Is dat dan erg?

Eigenlijk niet, want zonder ideeën kan ik niet schrijven. Maar onhandig is het wel. Ik ben meestal maar met één boek tegelijk bezig, en al die ideeën passen daar nooit in, al pieker ik me suf. Dus houd ik er altijd veel te veel over. Vorig jaar bijvoorbeeld. Ik schreef een boek over een levende kleine mummie. Dat was heel erg leuk. Maar tijdens het schrijven verzon ik er zo veel bij, dat het nooit allemaal in één boek paste. Die ideetjes hield ik allemaal over. Zonde om weg te gooien.

Dus besloot ik een tweede boek schrijven over die mummie. Dat mummietje wilde dolgraag naar Egypte, had ik bedacht. Niet eens een gek idee voor een mummie. Maar het was een onhandig idee voor mezelf. Ik was namelijk nog nooit in Egypte geweest. Ik had geen idee hoe het er daar uitzag (ja, iets met zand en piramides), en hoe het daar rook (zoet of kruidig?), en wat eigenlijk de kleur van de Nijl was (groen, blauw of misschien wel bruin), en hoe warm het daar was (heet of bloedheet?). Ik kon dat allemaal best zelf verzinnen, maar het moest wel kloppen. Straks schreef ik zomaar iets op en lachten alle Egyptenaren me uit.

Dus besloot ik eerst naar Egypte te reizen. Daar had ik meteen zin in, want Egypte is een heel bijzonder land. Ik besloot ook een mummiepak te maken. Dan kon ik als mummie verkleed een piramide beklimmen. Dan had ik gekke foto’s voor op mijn website, had ik bedacht. Voor de reis werd ik ineens zenuwachtig.

Zo’n pak was natuurlijk veel te heet daar in die zon. Ik werd straks de eerste mummie met een zonnesteek. Nee, ik werd gearresteerd als rare Hollandse mevrouw. Of ik werd in een museum in Cairo tentoongesteld als de enige levende mummie op aarde! In mijn fantasie kon dat allemaal. In mijn fantasie kan altijd alles. Gelukkig is dat niet gebeurd. Ik ben er geweest, en ik heb daar zó veel mooie dingen gezien. Piramides, graven, tempels en de Nijl… En ik heb ook nog die foto’s op die piramide gemaakt. En er gebeurde niks engs, ik kreeg alleen maar diarree. Maar dat is heel normaal, heb ik gehoord.

Toen ik terugkwam schreef ik deel twee van Dummie de mummie. En je voelt de bui al hangen: Toen ik klaar was, had ik weer een hoofd vol ideeën over! Leuk hoor, fantaseren. Je kunt er gewoon nooit mee stoppen. Daarom ben ik nu deel drie aan het schrijven. En deel vier zal ook nog wel komen. En ik krijg inmiddels allemaal ideeën over wat ik ga schrijven als ik eindelijk klaar ben met al die Dummie-verhalen… Ik krijg het nog druk.
 

.
.