Uit het schrijversleven van...Marian de Smet

Terug naar lijst
 

‘Ben je nog aan een nieuw boek bezig?’
Dat is de vraag die me de laatste tijd het meest gesteld wordt. Mijn laatste boek is bijna een jaar geleden verschenen en de mensen zijn nieuwsgierig naar een volgend verhaal. Die mensen kunnen mensen uit het boekenvak zijn, zoals mijn uitgever of redacteur, of andere auteurs, maar net zo goed de bakker of de moeder van het kind dat ik in de klas heb zitten (want ik ben ook juf).
De voorbije maanden was het antwoord altijd ‘nee’, en ik vertelde er dan niet bij dat ik het wel even goed vond zo. Een hoofd vol verhalen,zinnen en woorden kan erg vermoeiend zijn. Ik geniet er ook van om even geen bomvolle kop te hebben. Maar als ik echt eerlijk ben, zit er altijd wel een verhaal in mijn hoofd. Nu ja, miniverhaaltjes zeg maar. Ik schrijf dan wel niks op, er gebeurt wel van alles in mijn hoofd.
Een keer schreef een recensent dat hij dacht dat ik de hele tijd een schriftje op zak had, waarin ik alles schreef wat ik zag, om het daarna in mijn verhalen te gebruiken. Het klopt wel dat ik altijd iets bij me heb waarin ik kan schrijven, maar dat is niet de reden. Ik weet niet hoe het komt, maar alles wat ik zie, onthoud ik. Ook de meest rare dingen: hoe een mevrouw een kassabonnetje opvouwt, hoe een kind zijn losgeraakte teen weer in zijn sandaal probeert te stoppen, hoe voeten en benen eruitzien als ze onder een gordijn van een pashokje tevoorschijn komen. En al die beelden zitten in mijn hoofd, vaak komen er meteen woorden of zinnen bij, of probeer ik al eventjes hoe ik het zou opschrijven. Maar ik schrijf het dan niet op. Ik vergeet het gewoon niet.
Ik hou van de stad; van de drukte en de mensen en de geluiden. Toch zou ik er niet kunnen wonen, er komt teveel op me af. Na een paar dagen verlang ik weer naar mijn huis in het groen. Kijken met mijn ogen, daar word ik moe van. Als ik eenmaal aan een verhaal begin, dan kan ik die beelden goed gebruiken. Het is vaak echt zwoegen om dan goed te omschrijven wat ik zag, zodat het voor de lezer duidelijk is, en dat het nog een mooie zin wordt ook. Soms moet ik wel vijftig keer aan dezelfde zin beginnen, eer de woorden kloppen met hoe ik het in mijn hoofd zie en met hoe ik wil dat de lezer het ziet.
Ik sta vaak versteld van het tempo waarmee andere auteurs boeken schrijven. Het ene boek na het andere. Dat lukt me niet, ik heb tijd nodig. Tijd waarin ik alleen in mijn hoofd schrijf. Het moet rijpen en groeien. Het moet kloppen.
Als ze me volgende keer vragen of ik nog met een verhaal bezig ben zal ik eerlijk zeggen: ‘In mijn hoofd wel’.

.
.