Uit het schrijversleven van...Maria Postema

Terug naar lijst
 

Het verhaal van iemand anders

Vertalers zijn een beetje onzichtbaar. Zeg nou zelf, hoe vaak denk jij aan de vertaler als je een boek leest? Niet zo vaak, waarschijnlijk. En toch zou je zonder vertalers geen ‘Leven van een loser’ in het Nederlands kunnen lezen. Geen ‘Waanzinnige boomhut’. Geen ‘Grijze jager en geen ‘Hongerspelen’.

Toch vind ik vertalen het mooiste beroep dat er bestaat. Je mag namelijk de hele dag met je neus in een boek zitten – wie wil dat nou niet? Bovendien ben je heel veel aan het puzzelen en spelen met taal, want alles wat de schrijver in een andere taal heeft opgeschreven (grapjes, geheimtaal, gesprekken) moet in het Nederlands natuurlijk net zo leuk of spannend zijn als in het oorspronkelijke boek. En vertalers moeten heel veel opzoeken om zeker te weten dat alles klopt, en dat komt goed uit, want ik ben dol op weetjes.

Het komt ook regelmatig voor dat je een vertaler wat verbaasd om zich heen ziet kijken, want vertalers leven vaak in twee werelden tegelijk. Als ik na een dag hard werken boodschappen ga doen, vergeet ik weleens dat niet iedereen de hele dag in ‘mijn’ boek heeft gezeten. Tijdens het vertalen van ‘Vlammen’ dacht ik dan bijvoorbeeld bij de kassa: Ja ja, jullie staan allemaal wel te mopperen dat het zo lang duurt, maar Katniss moet de Kwartskwelling in! Dát is pas erg! En dan besefte ik ineens weer dat niemand in de supermarkt het tweede deel van ‘De Hongerspelen’ nog had gelezen – behalve ik.

‘Allemaal leuk en aardig, dat vertalen, maar wanneer ga je nou eens je éígen boek schrijven, Maria?’ vroegen mensen vaak. ‘Nou, misschien wel nooit,’ antwoordde ik dan, want ik vind het juist zo fijn om met andermans verhalen bezig zijn. Maar nu heb ik toch een boek geschreven, samen met een vriend van mij, Maarten Bruns. Het heet ‘Dertiendagh’ en gaat over Erik die met zijn vrienden in de duinen van Scheveningen stiekem de bunkers in gaat. En daar ontdekken ze dingen die ze misschien liever onder het zand hadden laten liggen…

Het lijkt me geweldig als ‘Dertiendagh’ in een andere taal vertaald wordt. En dat er dan bijvoorbeeld iemand in Duitsland de hele dag met de avonturen van Erik bezig is, en dan de deur uit gaat om boodschappen te doen, en dan om zich heen kijkt en denkt: Jongens, jullie moesten eens weten! Het is daar helemaal niet pluis hoor, daar onder de grond in Scheveningen!

Want als vertaler zit je een paar maanden helemaal in een boek. De hoofdpersonen worden je vrienden (of je vijanden), je dompelt je onder in de woorden, het verhaal. Het verhaal van iemand anders, dat jij in een andere taal opnieuw moet vertellen. En daardoor wordt het ook een beetje jóúw verhaal. Zelfs als de lezer je niet ziet.

Maria Postema.

.
.