Uit het schrijversleven van...Maranke Rinck

Terug naar lijst
 

Egel, erger je niet?

We zaten in de auto, op weg naar familie in Zeeland. De kinderen, Martijn en ik. De muziek stond zacht, want we waren een verhaal aan het verzinnen. Een verhaal voor een nieuw boek. De autorit zou bijna anderhalf uur duren. Was dat genoeg tijd om op een briljant idee te komen?

Een jaar hiervóór maakten Martijn (Van der Linden, red.) en ik het prentenboek 'Memorykonijn'. Een boek waarin alles draait om het spelletje Memory. Martijn tekende en ik schreef het verhaal. Nu wilden we opnieuw aan de slag met een prentenboek over een spel. We noemden alle spelletjes op die we kenden. Onze kinderen bedachten alvast titels: Egel, erger je niet! Vogel op een rij! Dominodas! Maar een briljant idee voor een verhaal kwam niet. Zelfs geen beetje briljant idee.

Het verzinnen van nieuwe verhalen is geweldig. Alles mag en alles kan. Maar na een tijdje wil ik resultaat. Dat er iets gaat zoemen en zinderen. Dat je voelt dat het geweldig zou kunnen worden. Als dat niet gebeurt, word ik moe. Zo moe! Uitgeput plofte ik dus op een stoel in het huis van mijn zwager en schoonzus.
Op tafel lag een gele doos.
‘Dat is tangram,’ zeiden ze. ‘Ken je dat?’
Natuurlijk wist ik wat het was, ik was alleen vergeten dat het bestond. Tangram is een Chinese puzzel met zeven stukjes. Je kunt er allerlei figuren mee leggen. De meest bekende vorm is misschien wel de kat.
Martijn en ik keken elkaar aan. We hoefden niks te zeggen, we wisten het allebei. Hier zou ons nieuwe boek over gaan. Tijdens de rit naar huis vielen de kinderen in slaap. En wij bedachten stuiterend van enthousiasme de titel van ons volgende boek: 'Tangramkat'

De volgende dag kochten we zo’n zelfde gele doos met tangram. En Martijn schilderde Tangramkat. Een kat gemaakt uit zeven puzzelstukjes, realistisch ingetekend met ogen en haartjes. Een echte kat, maar dan anders.
De weken erna lazen we over tangram en praatten we over tangram. We speelden het elke dag. De kinderen, Martijn en ik. Als we gingen eten, moesten we de tangramstukjes opzij vegen om de borden op tafel neer te kunnen zetten.

We werkten vier maanden aan het boek. In het verhaal kreeg de hond van mijn zwager en schoonzus een belangrijke rol. Want als zij geen tangram in huis hadden gehad, waren we misschien nooit op het idee gekomen! Deze zomer werd het boek uitgegeven door Lemniscaat. Met een echt tangram achterin, zodat je na het lezen zelf kunt gaan spelen. Ik hoop dat heel veel mensen net zo blij van het boek en het spel worden als wij. Ondertussen plannen we weer een reisje naar Zeeland. Want we willen verder met ons derde speelprentenboek!   

Maranke Rinck.

.
.