Uit het schrijversleven van...Lisa Boersen

Terug naar lijst
 

Mijn eerste boek gaat over een jongen die heel goed kan dagdromen. Als er een televisieprogramma was dat Holland’s next dagdromer zou heten, zou hij winnen. Maar dat soort programma’s bestaan niet.
Natuurlijk niet. Zou ook heel saai zijn, Holland’s next dagdromer.
Allemaal mensen die voor zich uit staren.
Zelfs als er heel veel gebeurt in hun hoofd, zie je daar weinig van.
Daar kwam ook het idee voor mijn eerste kinderboek vandaan. In dat boek willen de ouders van de hoofdpersoon Tim dat hun zoon ergens in uitblinkt. Maar hoeveel talenten ze ook bij hem proberen te ontwikkelen, alleen dagdromen gaat hem heel goed af. En daar zitten ze nou net niet op te wachten.
Zelf ben ik ook een dagdromer. Ik denk dat bijna alle schrijvers dat zijn. Je moet ontzettend goed voor je uit kunnen staren en bezig zijn in je hoofd. Alleen maar in je hoofd. Dat moet je leuk vinden. Als je dat vreselijk vindt, kun je beter een ander vak kiezen.
Maar zo saai als het is om naar te kijken, zo leuk en interessant is het om te doen. Echt. Want ik blijf het geweldig vinden. Dat je alles, echt alles, kunt bedenken. Een berglandschap met roze sneeuw? Een pinautomaat die uit zichzelf briefjes van vijftig uitspuugt? Een hongerige reuzencavia?
Je kunt het allemaal bedenken. En dan maak je het niet echt mee, maar toch een beetje. Wat ook zo bijzonder is: als jij dit leest, denk jij ook opeens aan roze sneeuw, en gratis geld, en een reuzencavia op zoek naar eten. Misschien bedenk je er zelfs iets bij. Wat je met dat gratis geld zou doen, bijvoorbeeld. Of wat je een reuzencavia zou voeren (Turbo-sla? Je zusje?).

Magisch, vind ik het. Want Tim, die jongen die zo goed kan dagdromen, die bestaat natuurlijk niet echt. Maar wel in mijn hoofd. En het mannetje dat hij ontmoet, Jani Kekke, bestond ook niet totdat ik hem had bedacht. Net als al die anderen die ik in mijn boeken bij elkaar heb verzonnen: de bezoekers van Hotel Tussentijd, of de familie die een stemmenslurper ontvangt. De meest bijzondere dingen maak ik mee, terwijl ik geen seconde van mijn stoel af kom. Zoals nu. Nu zit ik al een tijd na te denken over een jongen die plotseling… nee, dat komt later. Dat laat ik weten als het verhaal af is en het boek uitkomt.
Want dat is zo bijzonder aan schrijver zijn. Dat wat je bedenkt een boek mag worden - een boek dat anderen weer lezen. Waardoor ik opeens iemand tegen kan komen die zegt: ‘Een stemmenslurper, natuurlijk weet ik wat dat is. Heb ik net gelezen!’ Zit die stemmenslurper niet alleen maar in mijn hoofd, maar ook in dat van een ander. Geweldig toch?

Lisa Boersen

.
.