Uit het schrijversleven van...Jozua Douglas

Terug naar lijst
 

Stel je eens voor: je bent in een gigantisch zwemparadijs met een geweldige glazen glijbaan. De glijbaan is zo hoog als de Eiffeltoren. Je hoeft niet met de trap naar boven. Een kabellift met bakjes in de vorm van reusachtige pelikanen schept je uit het water en takelt je langzaam omhoog.
Daar sta je dan, bovenop de glijbaan. De wereld beneden je is piepklein. Huizen, auto’s, winkels en wegen, het is net speelgoed. Ga je er op je buik vanaf? Dan is het net of je vliegt. Je schiet naar beneden, sneller dan een vogel in duikvlucht.

Dit is mijn eerste idee voor een nieuw kinderboek. Ik loop er al maanden mee rond, maar ik begin pas te schrijven als ik meer ideeën heb.
Ik heb problemen nodig. Grote problemen. Torenhoge problemen. Kilo’s. Liters. Zwembaden vol.
Wacht eens… zwembad… badmeester… verschrikkelijke badmeester. Zo een met een snor, een rode trainingsbroek en een gespierde blote bast? Ja, dat is een goed idee. Hij is zwemkampioen geweest. Hij is wereldberoemd. Zelfs de koningin wil zijn handtekening. Iedereen vindt hem leuk. Maar is hij dat ook echt? Of heeft hij een gemeen geheim? Een geheim zo afschuwelijk dat niemand het gelooft?
Het begin is er. Maar ik ga nog niet aan de slag. Nog een maandje wachten, dan pas durf ik echt te beginnen.

Het is 9 uur ’s ochtends. Ik zit achter mijn computer, klaar om aan het nieuwe boek te beginnen. Het papier is leeg en wit.
De eerste zin is het moeilijkst. Die moet meteen leuk zijn.
Ik kijk uit het raam. Er loopt een vrouw met een hondje voorbij.
Zal ik iets schrijven over een hondje?
Nee. Dit boek gaat over zwembaden, badmeesters en kampioenen.
Misschien moet ik beginnen met een vader. Dat lijkt me wel leuk, maar hoe heet hij?
Pinoccio is geen goede naam.
Adelbert van Swieten-Ruysbroeck ook niet.
Even zoeken op het internet. Misschien kom ik een vader tegen die ik kan lenen.
Niets. Niemand. Er staan een heleboel vaders op internet. Maar niet die ene die ik zoek.
Ik kijk op de klok. Het is 10 uur. En er staat nog geen letter op mijn papier!

(Ik heb met mezelf afgesproken dat ik 2000 woorden per dag schrijf. Dat is ongeveer 10 bladzijden in het boek. Als ik alles in een keer goed zou doen, zou ik in 20 dagen klaar zijn – dan heb ik 200 bladzijden. Maar dat gebeurt nooit. Ik streep de helft van wat ik schrijf door. En de andere helft doe ik nog eens over.)

Misschien moet ik de eerste zin maar gewoon overslaan. Beginnen met de tweede zin.
En ik begin ook niet met een vader, maar met een jongen van 9.

Lev is een heel gewone jongen. Veel talent heeft hij niet. Zingen kan hij voor geen meter. Niemand is zo slecht in sport als hij. En als hij een tekening van zijn vader maakt, denkt iedereen dat het een aap is.

Dit begint ergens op te lijken.
Snel schrijf ik verder. Het gaat goed nu. De ideeën komen. De woorden verschijnen razendsnel op het scherm. Het is alsof ik van een glijbaan ga. Als het zo doorgaat kan ik de 2000 woorden voor vandaag vast nog wel halen.

Jozua.

 

.
.