Uit het schrijversleven van...Jonne Kramer

Terug naar lijst
 

Schipperskind met botenangst

‘Later als jij oud bent, zeg maar écht oud, dobber je denk ik op zee in een klein scheepje,’ zei ik al lang geleden tegen mijn vader. Het was een goed toekomstbeeld voor hem: vredig op de golven deinend, zonder zorgen of verantwoordelijkheden. Het leek hem inderdaad wel wat, dat beeld wilde hij wel nastreven.
Allereerst kwam daar de boot. Een klein zeilbootje genaamd de Kleine Beer. Ik vond dat heel ontroerend omdat dat ook zijn bijnaam voor mij was, maar de boot bleek al zo te heten bij aankoop. Toeval dus, of het lot. Het is maar net waar je in gelooft.
Daarna kwam er een huis in een haven. Papa had nog nooit in zijn leven ergens anders gewoond dan in hartje Amsterdam, maar hij kocht toch opeens een lief huisje in Friesland. Daar kon hij zijn boot leggen, zodat ze altijd dicht bij elkaar zouden zijn.
Toen volgde het pensioen (het écht oud zijn) en was het plaatje compleet. De toekomst kon beginnen.

Maar ik, zorgzame dochter die ik natuurlijk ben, werd er een beetje zenuwachtig van. Het beeld was romantisch en als fantasie best leuk, maar toen het zo in de buurt leek te komen, kreeg ik toch zo mijn twijfels. Wat nou als papa echt aan de horizon zou verdwijnen? Of als die vredige zee toch niet zo vredig zou zijn? Wat als papa vermist raakte of opgeslokt werd door een monster of strandde op een onbewoond eiland?
Ik wist absoluut niet wat ik dan zou moeten beginnen. Wat vooral een beetje onhandig was, is mijn onverklaarbare maar hevige botenangst. Het is moeilijk te omschrijven, zoals alle angsten dat zijn, maar het komt erop neer dat alles in mij schreeuwt dat ik aan land moet blijven. Ik ben misschien één keer mee geweest op de Kleine Beer, maar ik ben er toen ook meteen weer vanaf gestapt.

Ik heb het vaak met mijn vader gehad over hoe grappig het is dat ik een schipperskind met botenangst ben. Maar eigenlijk is het juist heel mooi, die tegenstelling: hier zijn allerlei verhalen omheen te bedenken.
Dus besloot ik dat maar te gaan doen. Ik schreef een verhaal over een jongetje wiens vader niet terugkomt van een lange zeereis, maar die zelf niet op een schip durft. Wat gebeurt er dan?
Met die vraag begon ik aan ‘Het raadsel van de zee’, en combineerde ik fictie met mijn eigen verhaal. Tijdens het schrijven vroeg ik me vaak af hoe ik me zou voelen als ik in de schoenen van hoofdpersoon Ravian zou staan. Maar misschien stond hij eigenlijk in mijn schoenen.
Ik kan in ieder geval alvast verklappen dat hij heel wat stoerder is omgegaan met onze gemeenschappelijke angst. Ik hoop dat het mij ook ooit lukt.

Jonne Kramer.

.
.