Uit het schrijversleven van...Jelmer Soes

Terug naar lijst
 

Tijdreizen

Op een avond, aan het einde van hun half mislukte treinvakantie door Frankrijk, liggen Jonas en zijn beste vriend Björn op hun rug in het gras naast hun tentje te kijken naar de sterrenhemel. Ze zien een vliegtuig - nee, het is geen vliegtuig, het is een vallende ster. Maar hij blijft vallen, hij houdt niet op met vallen, in een gelijkmatig tempo trekt hij langs de hemel en verdwijnt gewoon achter de horizon, uit beeld.

'Een satelliet,' zegt Björn, en Jonas denkt: wat als dat het niet was? Wat als ik dat was, dat rondreizende licht - ik in de toekomst, mijn lichaam zwevend om de aarde, ik die een rondje doet langs de wereld van toen ik 17 was, kijkend naar hoe het toen met me was?

Zo ontstond de titel voor mijn tweede boek, Lichaam van licht. En toen ik vanochtend dacht aan wat schrijven voor mij betekent, moest ik daar weer aan denken. De scène is niet verzonnen; ik lag daar zelf toen ik 17 was, keek met mijn beste vriend naar die satelliet. En ik dacht er ook zeker van die diepe dingen bij, want ik was de jonge, magere, wanhopig romantische versie van wie ik nu ben.

Het was de zomer voordat ik aan de schrijfopleiding begon. Daar kwam ik in aanraking met jeugdpoëzie, een vak dat daar toen door Edward van de Vendel werd gegeven. Ik begon met schrijven voor een jonge doelgroep, leeftijden variërend van begin tot halverwege de basisschool. Ik sloot het vak af met een gedicht over afscheid van een vakantieliefde. In dat gedicht was ik twaalf, dertien jaar oud. En langzaam wandelde ik verder dat tijdperk binnen. Stiene, de hoofdpersoon van mijn eerste boek, ‘Risk’, is een meisje van dertien. Jonas, in mijn tweede boek, is zeventien. Geen kinderen meer, maar ook nog geen volwassenen. Overal tussenin.

Soms word ik gevraagd of het moeilijk is mijn schrijfstijl 'aan te passen' aan een publiek dat jonger is dan ik. Maar ik pas juist niets aan. Ik ben niet ouder dan zij. Als ik schrijf, ben ik altijd ergens tussen de twaalf en de achttien. Tijdens het schrijven luister ik ook vaak naar de muziek die in die tijd mijn thuis was. Die verandert niet meer, staat vast. Natuurlijk, sommige dingen reizen mee met de tijd, vermengen zich met hoe ik zelf groei, ouder word, meer ervaar. Maar de kern blijft hetzelfde. En schrijven is voor mij het zoeken naar die kern.

Schrijven is opstijgen tot ik in een baan rond mijn eigen aarde vlieg: dat is niet alleen een fysieke wereld, maar ook een tijdlijn. Ik reis terug en vooruit in de tijd, vlieg mijn rondjes om de tijdlijn van mijn leven, en altijd kom ik hem weer tegen: die jongen van 17, liggend op zijn rug in het gras. Elk verhaal dat ik schrijf, is eigenlijk een ontmoeting tussen hem en mij. Hij droomt over tijdreizen, ziet mij dan voorbijkomen, en weet dat het ooit mogelijk zal zijn.

Jelmer Soes.

.
.