Uit het schrijversleven van...Isabel Versteeg

Terug naar lijst
 

Als je schrijft moet je natuurlijk wel eens achter je computer zitten. Dat doe ik dan ook braaf. Ik zit heel wat uren te typen op mijn laptop. Maar eigenlijk hou ik er niet van om lang stil te zitten. Het liefst ben ik buiten. Daar bedenk ik wat ik ga schrijven. De beste ideeën krijg ik, als ik langs de rivier loop. Of als ik over een hek klim om in een weiland te komen. Meestal verzin ik wel wat. En soms hoef ik niets te verzinnen. Dan gebeurt er iets onderweg. Zoals toen met die schapen. En daar maak ik dan weer een verhaal van.

Bij mij in de buurt wonen heel veel schapen. Ze staan met een hele troep in het weiland. In het voorjaar krijgen ze lammetjes. Met z’n allen rennen die heen en weer. Zomaar voor de lol, want ze gaan nergens heen. Die lammetjes komen er natuurlijk niet vanzelf. Daar is een ram voor nodig.

Een ram hoeft niet veel te doen. Eén keer per jaar moet hij in actie komen. In het najaar krijgt hij een soort bakje op zijn borst gegespt. Dat is een stempelkussentje waar inkt op zit. Als hij op een schaap springt, krijgt dat schaap een rode of groene kont. De boer weet dan dat het schaap bevrucht is. En dan kan hij uitrekenen wanneer er lammetjes komen. Als de ram zijn werk goed doet, hebben alle schapen na een tijdje een stempel. Maar soms gaat het mis. Zoals bij Henk. Henk had ook een mooi bakje op zijn borst. Het zag er stoer uit. Alle twintig schapen van boer Bos keken naar hem. Met een schuin oog, terwijl ze graasden. Maar Henk keek niet terug. Hij was helemaal niet geïnteresseerd in twintig schapen. Er was maar één schaap belangrijk voor hem. Dat was Annabel. Hij volgde haar op de voet. Als Annabel ging grazen, dan ging Henk ook grazen. En ging ze liggen, dan lag Henk ernaast. Ieder dag, als ik langsliep, had Annabel er weer een stempel bij. Na een tijdje zag ze er niet meer uit. Overal had ze rode vlekken op haar mooie witte vacht. De andere schapen waren jaloers. “Waarom Annabel wel en wij niet,” blaatten ze. En ook boer Bos was ontevreden. “Aan een verliefde ram heb ik niets,” mopperde hij. “Zo komen er niet genoeg lammetjes.”

De volgende keer dat ik langsliep, was Henk weg. Er stond een nieuwe ram in het weiland. Sjoerd. Gelukkig vond hij alle schapen leuk. Na korte tijd hadden ze allemaal een groen stempel op hun achterste. En Henk? Die heb ik nooit meer gezien. Waarschijnlijk droomt hij nog steeds van Annabel. Maar dat is weer een ander verhaal.

Isabel Versteeg.
 

.
.