Uit het schrijversleven van...Ilse Bos

Terug naar lijst
 

Ze vroegen me om een stukje te schrijven voor deze site.
Een hele eer, natuurlijk.
Kijk maar eens welke fantastische schrijvers er allemaal al voor deze site hebben geschreven. Wie zou daar nou niet tussen willen staan?
Ja, antwoordde ik dus, tjonge, wat een eer!
Dat was mooi stom van me.

Want het moest een stukje worden over hoe het is om schrijver te zijn.
En ik wil eigenlijk helemaal niks vertellen over schrijver zijn. Daar is schrijver zijn veel te stom voor.
Schrijven, ja, dat is geweldig. Als het lukt om te schrijven, als het zomaar ineens lukt, als er verhalen op papier komen waarvan ik geen idee heb waar ze vandaan komen. Als ik bijna niet kan stoppen met typen omdat ik zo benieuwd ben hoe het afloopt. Dat is heerlijk, iets heerlijkers bestaat er niet.
Maar het lastige is: daar kan ik zo weinig over vertellen. Ik weet zelf niet hoe het werkt, schrijven. Het is een soort wonder.

Ik kan wel wat vertellen over schrijver zijn. Maar dat is stomvervelend, geloof me.
Schrijver zijn, dat betekent dat ik achter mijn computer zit te denken dat ik iets moet verzinnen. En niet zomaar iets, nee, het moet geweldig zijn, uniek, verbluffend, geniaal. Fantastisch, moeten de mensen denken die het lezen. Wat een fantastische schrijver!
Ik doe dus heel erg mijn best om verbazingwekkende dingen te verzinnen.
En dan komt er niks. En als er wat komt is het ellendige rotzooi. Gezeur waar een cliniclown nog depressief van zou worden.
Ik eet te veel drop. Ik check mijn mail. Als de postbode komt ruk ik de brieven zowat uit zijn handen (hoera! een rekening van de tandarts en een boete van de bibliotheek).
Ik hang de was op. Ik voer de konijnen.
En ik haat iedereen die gewoon een baan heeft en niks geniaals hoeft te verzinnen. Zoals de postbode. Wat een zak, die postbode. Een postzak. Haha, lachen, maar niet heus.
Ik haat zelfs bijna de konijnen, omdat ze zomaar rondhopsen over ons binnenplaatsje en zelfs geen baan hoeven te hebben en toch voer krijgen. (Maar ik haat ze niet echt. Daar zijn ze te lief voor. De postbode is trouwens ook eigenlijk heel aardig.)

En dan zomaar ineens weet ik wat ik moet schrijven. Maar niet als ik schrijver zit te zijn.
Het gebeurt als ik midden in de nacht wakker word. Als ik praat tegen mijn oude moeder. Als ik de boete van de bibliotheek betaal.
Dan grijp ik een papier of ik ren naar de computer, en dan schrijf ik. Soms wel een paar uur achter elkaar. En dan word ik er nog blij van ook, als ik het teruglees.
Wist ik maar hoe het moest, schrijven. Dan zou ik het aan één stuk door doen.
Dan hoefde ik nooit meer schrijver te zijn. Want dat is een grote ellende, echt waar.
In mijn volgende leven word ik sowieso een konijn.

Ilse Bos.

.
.