Uit het schrijversleven van...Peter Hoogenboom

Terug naar lijst
 

De schoenen van de schrijver
 

Dat is dan dus even lastig. Drie jonge schoenpoetsertjes van een jaar of 10 springen om mij heen. De schoenen van mijn vrouw, zoon en dochter zijn al bekeken. Dat zijn open schoenen, dus daar kunnen ze niets mee. Terwijl ze druk gebaren, zijn hun ogen nu op mijn schoenen gericht. 'Shoes sir. No good sir. I cleen, I cleen.' Ik kijk zelf ook eens keurend naar beneden. Gelijk hebben ze wel. Schoon zijn mijn schoenen niet. Maar poetsen. Nee. Die schoenen van mij zouden niet weten wat ze overkwam. Die houden niet van poetsen. Sterker nog, ze zijn volgens mij van een materiaal dat helemaal niet gepoetst mag worden. Eén keer zal misschien al fataal zijn. Laat staan drie keer achter elkaar.

Maar ja, die jongens teleurstellen wil ik ook niet. Ik sta midden op een groot plein in de buurt van een van de grootste moskeeën van Istanbul. Door krachtige luidsprekers klinkt de oproep tot het gebed voor de Moslims. De drie Turkse jongetjes trekken zich er weinig van aan. Allah moet maar even wachten. Geld moet er verdiend worden.
'Cleen sir, shoes no good sir,' roepen ze om het hardst. Een school zullen deze jongetjes vast nog niet veel van binnen hebben gezien. Maar slim zijn ze wel. Het Engels hebben ze vast en zeker opgepikt van de vele toeristen die Istanbul bezoeken.
'Cheepie, cheepie,' roept een van hen.
Cheap zal hij wel bedoelen, veronderstel ik. Ze willen mijn schoenen dus poetsen en het is nog niet duur ook. De grote zwarte ogen van Cheepie kijken me vrolijk aan. Hij wijst nog maar eens naar mijn voeten en dan naar zijn schoenpoetsspullen. Dat alles om me duidelijk te maken dat het zo niet langer kan. Er moet echt wat gebeuren met die schoenen van mij. Zo kan ik niet verder. Ik twijfel. Poetsen en mijn schoenen vaarwel zeggen, of de zoveelste voorbijganger zijn die de jongens teleur stelt.

Een vierde jongetje staat al even op een paar meter afstand te kijken. Hij ziet blijkbaar dat ik twijfel. Hij besluit dat dit misschien zijn kans is. Twee tellen later staat hij ook voor mijn neus. Uit een plastic tasje tovert hij een pakje papieren zakdoekjes tevoorschijn. Snel, maar voor mij onverstaanbaar begint hij zijn verkooppraatje. Hij heeft vast gezien dat mijn schoenen allergisch zijn voor schoenpoetsen, zo denk ik. Met zijn zakdoekjes biedt hij een veilige manier aan om ze schoon te maken. Briljant idee. Dat moet beloond worden. Ik trek een biljet tevoorschijn en koop een pakje papieren zakdoekjes. Breed lachend geeft hij mij het pakje. Kennelijk bang dat ik niet weet waar mijn aankoop voor dient maakt hij een gebaar. Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Hij wijst op de zakdoekjes en haalt dan een hand langs zijn neus.
'Nose,' zegt hij er voor alle zekerheid nog maar even bij.
'Or for my shoes,' probeer ik en ik wijs naar mijn schoenen.
Bijna verontwaardigd kijkt hij mij aan en schudt nadrukkelijk van nee.
'Nose,' zegt hij nog maar een keer en draait zich hoofdschuddend om.
 

Aarzelend kijk ik de achtergebleven schoenpoetsertjes aan. Natuurlijk kan ik ze gewoon geld geven zonder dat ze er iets voor doen. Maar deze schoenpoetsertjes hebben vast hun trots. Ze willen werken voor hun geld en niet bedelen.

In het Engels en met veel gebaren leg ik uit dat mijn schoenen niet gepoetst mogen worden. Cheepie knikt begrijpend en knielt al neer om te beginnen. Gelukkig bieden mijn kinderen uitkomst. ´Pap,´ roepen ze in koor, ´vraag of ze op de foto willen. Dan betaal je ze daarvoor.´ Even later kijken de drie fotomodellen breed grijnzend naar de camera. Met de beloning voor hun modellenwerk op zak nemen ze lachend afscheid. En de foto. Tja, dat is even lastig. Die is thuis door de computer opgevreten. Foutje! Maar die jongens, die zitten nog steeds in mijn hoofd. Ze staan voor mij model voor al die kinderen die iedere dag opnieuw hun uiterste best moeten doen om te overleven.

Cheepie en zijn vrienden zijn straatkinderen. Net als zij zijn er over de hele wereld tientallen miljoenen kinderen die op straat zwerven. Sommigen zijn helemaal alleen en slapen ook op straat. Anderen hebben familie waar ze ´s nacht kunnen slapen. Maar allemaal zijn ze zo arm dat ze geen kans krijgen om kind te zijn. In plaats van te kunnen spelen en naar school te gaan, moeten ze werken.

Maar niet alleen straatkinderen hebben het slecht. Ook miljoenen andere kinderen moeten al vanaf een jonge leeftijd keihard werken. Ze werken van de vroege ochtend tot de late avond op vuilnisbelten, in smerige en gevaarlijke fabrieken en in mijnen en worden gedwongen om mee te vechten in oorlogen. Juist deze kinderen en hun strijd voor een beter leven, spelen in mijn boeken een belangrijke rol.

De vaste hoofdpersonen in mijn boeken vinden het heel erg dat er op de wereld nog zoveel kinderen zijn die geen fijn leven hebben. In de avonturen die ze beleven, doen ze er dan ook alles aan om kinderen te helpen, die hulp nodig hebben. Eenmaal op reis raken ze in situaties verzeild waarin ze zelf merken hoe moeilijk het leven van sommige kinderen is. Ik weet zeker dat Cheepie en zijn vrienden in een van de volgende delen van mijn serie wereldavonturen een rol zullen spelen. Dat hebben ze dik verdiend.

En mijn schoenen? Die zijn na een lange stoffige vakantie niet meer mooi te krijgen. Misschien had Cheepie toch gelijk en had ik hem gewoon zijn gang moeten laten gaan.

Peter Hoogenboom.

.
.