Uit het schrijversleven van...Thijs Goverde

Terug naar lijst
 

Dit is het verhaal van mijn afschuwelijkste werkdag. Het gebeurde toen ik ver van huis was, op een school in het noorden van ons koninkrijk. Ik was daar om voor te lezen uit mijn eigen boeken. Dat doe ik vaak, vooral als het kinderboekenweek is. Het is het leukste werk dat ik ken, nog leuker zelfs dan boeken schrijven. Ik maak er altijd een verkleedpartij van, met grappen en toneelstukjes en verhalen. Ik heb een stalen ridderpak, een echte maliënkolder, van mijn achter-achter-oudoom, die piraat was. Of het pak van een waanzinnige geleerde (mijn vader). Of weet ik veel.
 

Dit keer droeg ik een tovenaarsmantel, en ik had een toverstaf. Geleend van een echte tovenaar, zogenaamd dan natuurlijk, want echte tovenaars bestaan niet. Neppe tovenaars wel, maar dat is een ander verhaal.
Toverij was het thema van de kinderboekenweek, dus ik kocht dat toverpak. En een paar trucs van de goochelwinkel. En daar ging ik, het hele land door, van school naar school en van bibliotheek naar boekwinkel. Overal feest, alle kinderen lachten, iedereen wilde mijn handtekening en was aardig tegen me.
Maar op deze dag, op die school in het noorden, was er niks geen feest aan. Ik merkte het meteen toen ik de klas binnenkwam. De groep was doodstil. De kinderen staarden naar mijn toverpak, en in plaats van te gaan lachen of door elkaar heen te schreeuwen, wat kinderen meestal doen als ik verkleed binnenkom, werden ze alleen maar stiller. Sommigen werden zelfs een beetje bleek in het gezicht.
 

Wat was hier aan de hand? Onzeker keek ik naar de leraar.
Die keek me aan of ik persoonlijk zijn hondje had opgegeten. Woedend! En toch bleef hij heel beleefd.
‘Goede morgen,’ zei hij. ‘Dat lijkt warempel wel een toverpak, wat u daar aanhebt.’
Jahaaa,’ lachte ik zenuwachtig. ‘Dit is van een echte tovenaar geweest.’
Tovenaars zijn eng,’ siste de man. ‘En gevaarlijk. Ik houd niet van tovenaars.’
‘Nou,
’ zei ik, ‘haha, dan is het maar goed dat ze niet echt bestaan, hè?’
‘Ze bestaan wel!’ bulderde de meester. ‘En ze zijn eng! Ik wil niks geen tovenarij in mijn klas! Geen gepraat over tovenaars! Geen boeken over tovenaars! Niks!’
‘Wat jammer nou,’ zei ik. ‘Ik heb alleen mijn toverpak bij me en mijn heksenboek. Als ik het eerder geweten had…’
‘Nou ja,’ zuchtte de leraar, ‘vertelt u uw verhaal maar. Niet luisteren, jongens,’ fluisterde hij tegen zijn leerlingen.
‘Juist ja,’ hakkelde ik, ‘ehm… goed. Okee. Deze mantel is van een echte tovenaar geweest…
Vijf kinderen renden huilend de klas uit. ‘Help, help,’ gilden ze. ‘Die meneer gaat ons betoveren!’
‘Welnee!’ riep ik ze achterna. ‘Toveren bestaat niet!’
‘Welles!’ bulderde de meester.
‘Jaaaah!’schreeuwden de kinderen, die nog in de klas zaten. ‘Laten we gaan toveren!
We gaan Wicca doen!’
‘Nee, Voodoo!’

Stomverbaasd staarde ik hen aan. Ze wisten er veel meer van dan ik! Het was wel duidelijk wat voor boeken ze lazen, als hun meester niet keek.
Voo-doo! To-ve-ren! Voo-doo! To-ve-ren!’juichten de kinderen.
‘Zie je nou wat je gedaan hebt!’ krijste hun leraar.
 

Op dat moment vluchtte ik de klas uit.
In de trein naar huis dacht ik: arme kinderen! Ik wil wedden dat straks de helft van hen niet meer de straat op durft. Bang dat ze tovenaars tegenkomen. En de andere helft zit in een gekkenhuis; die denken dat ze tovenaars zijn. Allemaal door die idiote leraar, die hen vertelt dat tovenaars echt bestaan.
Ik wil maar zeggen: luister maar niet al te goed naar je leraar. Luister liever naar mij. Ik vertel ook wel eens leugens, maar ik ben een schrijver en schrijvers mogen dat.
 

Thijs Goverde.
 

.
.