Uit het schrijversleven van...Bobje Goudsmit

Terug naar lijst
 

Inspiratie

“Waar haal je nou steeds je inspiratie vandaan?” Dat is een vraag die me vaak gesteld wordt, als ik met tante Spoor kriskras het land doorreis om op scholen en bibliotheken lezingen te geven. Dan vertel ik dat mijn inspiratie bij wijze van spreken gewoon op straat ligt. Omdat ik om me heen dingen zie gebeuren en me daarbij telkens weer bij probeer voor te stellen hoe het allemaal zus-en-me-zo in elkaar zit.

Ik zal je daarvan een voorbeeld geven.
In de afgelopen grote vakantie ging ik met mijn echtgenoot en zijn zusje en haar man door Indonesië trekken. Een reis van ruim een maand! Ik had me er super op verheugd en keek mijn ogen uit. Ik had vroeger tijdens mijn studie Nederlands verplicht een aantal literatuurboeken over Indonesië moeten lezen en had me een bepaalde voorstelling bij het land gemaakt. Maar ik kon niet vermoeden dat de werkelijkheid wel eens heel anders zou kunnen zijn. Dat Indonesië zo druk en overbevolkt en kleurrijk en arm was, nee dat wist ik echt niet. Elke dag ontdekte ik weer iets nieuws en viel van de ene verbazing in de andere. De volgende gebeurtenis zal me de rest van mijn leven bijblijven. Toen we op een gegeven moment in Bandoeng voor een rood stoplicht moesten wachten, keek ik uit het raampje naar buiten en zag vlak tegenover me een man op de stoep zitten. Onze blikken kruisten elkaar. Er ging een schok door mij heen ging. Een man, dacht ik verbijsterd, noem je dit nog een man?! Een mens?! Hij had helemaal geen armen en benen! Hij bestond alleen maar uit een romp met vier kleine stompjes en een hoofd dat boven op zijn schouders vastgeplakt leek. De uitdrukking op zijn gezicht veranderde, toen hij mijn schrikreactie zag. Van ongelukkig en boos naar verbitterd, over wat hem in het leven was aangedaan, begreep ik. Hij zat daar duidelijk te bedelen. Er lag een kommetje voor hem, waar je wat roepia’s in kon gooien als je wilde. Maar ik zat op de achterbank van de auto in de riemen gevangen en had niet zo gauw geld bij de hand.

Toen ging mijn fantasie op volle toeren draaien. Hoe komt hij hier eigenlijk, vroeg ik me af. Is er iemand in zijn leven, die bereid is om hem ’s morgens aan te kleden en te helpen met eten en drinken? Iemand die hem hier elke dag naar dit stoplicht brengt, om expres zijn ellende aan de wereld te laten zien en te hopen op een beetje medelijden? Want de man kon zelf niks meer. Behalve me aankijken met die verstoorde, boze blik in zijn ogen, waarmee hij me probeerde te duidelijk te maken dat hij mij een stomme verwende truttenbeltoeriste vond, die maar eens snel met haar luie kont uit de auto moest stappen om wat geld in zijn kommetje te schudden. Actie! Het stoplicht sprong op groen. We moesten doorrijden. Ik wendde mijn hoofd af. Een vrouw, bedacht ik verder, ik gun hem een lieve vrouw, die hem nog kent van vroeger toen er niets met hem aan de hand was. Toen hij nog helemaal heel was. En lang en knap en aantrekkelijk. Vrolijk ook. Ze moest destijds van haar vader trouwen met een ander, maar bleef al die jaren in stilte verliefd op hem. Tot hij dat verschrikkelijke ongeluk kreeg. Hij is vast niet zo mismaakt geboren.

Ik werd helemaal stil van mijn eigen verhaal. Welk ongeluk zou dat dan geweest kunnen zijn? Was hij chauffeur van een grote bus, die in een ravijn was neergestort? Door een verkeerde inhaalmanoeuvre? Nee nee, veel te veel doden. Liever een ontploffing in de fabriek waar hij werkte. Zou ook best kunnen. Maar in wat voor fabriek dan? Een fabriek waar ze theezakjes maken? We hadden namelijk net een theeplantage bezocht. Hmm, bestaat zo’n fabriek eigenlijk wel? Nou ja, dat kwam later wel, dat was nu nog onbelangrijke informatie. Hij had haar enige zoon proberen te redden toen het dak op hem neerviel en al zijn ledematen verbrijzelde. Ze zocht hem een paar keer op in het ziekenhuis. Toen hij verminkt achterbleef, besloot ze hem uit pure dankbaarheid in huis te nemen en te verzorgen. Ik draaide mijn hoofd en staarde hem door de achterruit nog even na. Zag nog net hoe een passerende man een muntstuk in zijn kommetje gooide en de bedelaar bijna onmerkbaar knikte. Wie zou dat nu weer zijn, was het laatste wat ik me afvroeg, vlak voordat de auto de hoek omsloeg. Kennen ze elkaar misschien ook nog van vroeger? Woonden ze in dezelfde kampong? Of grensden hun sawa’s aan elkaar? O, zoveel mogelijkheden waren er!

Begrijp je nu een beetje hoe ik aan mijn inspiratie kom? Achter elke handeling, elke gebeurtenis kan een verhaal zitten. Als je tenminste je oren en ogen wilt gebruiken.
 

Bobje Goudsmit.

.
.