Uit het schrijversleven van...Annie van Gansewinkel

Terug naar lijst
 

Kind van de zee

Ik ben weer thuis, net terug van een weekeinde op Schiermonnikoog. En daarvóór was ik nog maar net thuis van een week in Egmond aan Zee. Hoe ouder ik word, hoe liever ik bij de zee wil zijn. Al ben ik dan vijftig, ik blijf een kind van de zee.
 

Maar ik heb ook wat in te halen. Moet je je voorstellen: ik was achttien toen ik pas voor het eerst van mijn leven de zee zag.
Ach, dat kun jij je vast niet voorstellen. Jij hebt natuurlijk als kind al voor het eerst de zee gezien (wat groot/blauw/grijs), gevoeld (raar aan je voeten, koud), gehoord, geroken, geproefd. Jij hebt zandkastelen gebouwd, met je schepje gepetst in modderpoelen en schelpen geraapt.
 

Achttien was ik toen ik als kinderoppas ('au pair' heet dat in het Frans) met een Franse familie naar hun vakantiehuis aan zee ging. En ik was voor altijd verkocht.
's Morgens stond ik vaak om zes uur op en liep ik in mijn eentje door het bos naar het strand. Voordat ik tegen acht uur het ontbijt maakte voor de kinderen had ik al mijn longen volgezogen met zeelucht en waren sombere gedachten langs mijn schouders afgegleden. Sindsdien zoek ik in vakanties meestal de zee op, en het liefst eilanden, want die hebben lekker veel zee.
 

Maar de laatste jaren wérk ik ook aan zee. De zee helpt me bij het schrijven. De wind waait mijn hoofd leeg en de golven spoelen gedachten af en aan. Gedichten duiken op in mijn hoofd en ideeën voor verhalen stranden voor mijn voeten. Ik hoef ze alleen maar op te rapen. De meest eigenwijze schepsels uit mijn boeken zijn aan zee ontstaan: Stijn Klein, Koffer-Koen en Sarah. Zij is de hoofdpersoon in het nieuwe kinderboek waar ik de laatste keer in Egmond aan begonnen ben.
 

Maar eerst moest ik afscheid nemen van Esther, de hoofdpersoon in het boek dat ik net had afgemaakt. Het boek heet 'Het leven van Esther'. Esther heeft verdriet om haar oudere zusje Judith dat is verongelukt. Het idee voor dat boek ontstond vorig jaar ook aan zee. Natuurlijk is het niet alleen treurigheid in dat boek. Maar toch had ik zin om daarna iets heel anders te schrijven, dus wordt het boek over Sarah een grappig, gek boek.
Esther en haar leven heb ik laten meegaan met de wind, zij vindt haar weg hopelijk zonder mij. De noordwesterstorm van die dagen in Egmond heeft mijn hoofd vrijgeblazen voor het nieuwe boek.
 

Telkens weer praat de zee tegen me en ik begin haar steeds beter te verstaan. Nu eens fluistert ze lieve woorden, sabbelt ze aan mijn oren, stelt ze me gerust. Dan weer roept ze hard 'boe' om me te laten schrikken, wakker te schudden. Of ze grommelt boos, blijft in zichzelf mopperen en dan kan ik haar niet verstaan. Misschien maar goed ook.
 

Wanneer ik bij de zee ben, kan ik beter schrijven. Dat denk ik tenminste. Maar ik wil niet eens weten of het echt klopt. Als het een smoes is, is het in elk geval zo'n goede dat ik hem zelf geloof.
Binnenkort ga ik dus opnieuw naar de zee. Daar kom ik weer thuis.

Annie van Gansewinkel.

.
.