Uit het schrijversleven van...Christa Carbo

Terug naar lijst
 

De nieuwe lezer
 

Nog niet zo lang geleden was ik nog geen schrijver. Ik schreef wel, in kranten en bladen, maar je bent pas schrijver als er een boek verschijnt met je naam erop. Schrijver leek me altijd al een fijn beroep. Om het schrijven, dat spreekt vanzelf, maar ook om de boeken met mijn naam op de kaft. Daar dagdroomde ik wel eens over. Dat mensen mijn boek in de winkel zouden zien liggen, het oppakken, doorbladeren en daarna hun portemonnee zouden pakken om het te kopen. Dan namen ze het boek met mijn naam mee naar huis en zo zou ik - op zijn minst een beetje - beroemd worden. Misschien zouden er in de krant stukjes komen over mijn boeken. Natuurlijk zouden dat enthousiaste, lovende stukjes zijn, want ik zou alleen goede boeken schrijven.

Wat me ook spannend leek: handtekeningen uitdelen aan fans. In boekwinkels hangen soms posters met de aankondiging dat een schrijver op een middag zijn nieuwe boek komt signeren. Dat betekent dat de klanten het boek bij de schrijver zelf kunnen gaan halen en dat die er dan een handtekening in zet. Daarna moeten ze het natuurlijk nog wel afrekenen bij de kassa, dus eigenlijk verkoopt zo'n schrijver zijn eigen boeken en maakt hij meteen kennis met zijn lezers. Dat leek me geweldig.

Toen ik zelf schrijver geworden was, was het op een dag zo ver. Ik mocht op een zaterdagmiddag in de Kinderboekenweek middenin een grote boekwinkel achter een tafeltje gaan zitten. Al mijn boeken lagen er en de dikste stapel was die met mijn nieuwe boek. Op weg naar de winkel had ik een extra mooie pen gekocht voor de handtekeningen. Mijn fans konden komen.

Mijn schrijversdromen waren tot dan toe uitgekomen, maar op die regenachtige middag in oktober liep het iets anders dan ik me had voorgesteld. Ik zat achter mijn tafeltje, lachte vriendelijk naar de klanten in de winkel en wachtte. Af en toe stopte er iemand bij mij en bladerde wat in de boeken. Dan maakte ik een praatje, maar lang niet allemaal wilden ze een boek (of een handtekening). Ik merkte al gauw dat de meeste klanten van de boekwinkel niet voor mij kwamen. Sommigen waren ook te verlegen om naar me toe te komen. Ze keken wel, maar liepen in een grote boog om mijn tafeltje heen. Een paar kinderen wist ik nog te lokken met de snoepjespot die een aardige medewerker van de winkel bij me had neergezet. Dat was wel gezellig, maar ze hoefden geen boek, laat staan een handtekening. Ik wachtte en glimlachte.

De middag was al meer dan half om toen een hoogblonde jongen van een jaar of acht de winkel binnenkwam, samen met zijn moeder. Toen ze langs mijn tafel liepen keek de jongen nieuwsgierig naar mij, naar de snoepjes en de boeken. Ik vroeg of hij mijn nieuwe boek wilde bekijken. Dat wilde hij. Het was een groot boek vol kleurige platen. Ik bladerde het met hem door en vertelde erover. Daarna nam zijn moeder hem mee, de trap op naar de bovenverdieping van de winkel. Na een poosje kwam de jongen in zijn eentje naar beneden. Hij kwam weer bij me staan en pakte het boek om er nog eens rustig in te kijken. Hij zei niet veel en ineens verdween hij weer. Die is klaar met mijn boek, dacht ik, maar dat was een vergissing.

Een minuut of vijf later zag ik de jongen voor de derde keer naar mijn tafeltje komen. Hij trok zijn moeder aan haar hand mee en wees naar mijn nieuwe boek. "Wil je dat graag hebben?", vroeg de moeder en de jongen knikte. Het mocht. Hij wilde ook een handtekening en ik mocht zijn naam in het boek schrijven, met mijn nieuwe pen en in mijn mooiste handschrift: 'Voor Olger'. Even later zag ik ze hand in hand de winkel uitlopen, de regen in. Olger hield zijn nieuwe boek, goed ingepakt, stevig onder zijn arm. "Daar gaat een nieuwe lezer," dacht ik blij en trots. En ik wist weer zeker: schrijver is het leukste beroep van de wereld.

Christa Carbo.
 

.
.