Uit het schrijversleven van...Corien Botman

Terug naar lijst
 

's Zomers gaan we altijd een paar weken varen in Zeeland.
Het is daar zo fijn.
Mosselen eten, krabbetjes vangen...
Allemaal tegelijk lekker laat naar bed.
En er zijn niet zoveel muggen ook.
Het landschap vind ik elk jaar weer indrukwekkend: strand, zee, uitgestrekte landerijen, oneindige luchten...
 

Toen ik op een zomeravond met een glaasje ijskoude witte wijn een beetje voor me uit zat te staren, dacht ik: Hier moet mijn volgende boek spelen. Dan kan ik lekker vaak terugkomen om onderzoek te doen.
Ik nam nog een slokje.
Een boek over een gezin dat van een grote vieze ongezellige stad verhuist naar dit prachtige weidse land.
De volgende dag legden we aan in een haventje. Meteen kwam er een jongetje over de dijk naar beneden rollen. Hij had alleen een zwembroek aan en was pikbruin van alle zomerzon. Hij ging krabbetjes vangen met onze kinderen en kwam aan het eind van de dag mee naar de boot.
Arend heette hij en Arend deed mee met kaarten, bekeek onze verzameling soldaatjes en wilde ook graag mee-eten. Arend was voor geen millimeter verlegen en ik dacht meteen: hoofdpersoon!
Maar dat was Arend natuurlijk niet, dacht ik na de spaghetti, bij een kopje oploskoffie. Want met hoofdpersonen in boeken is altijd iets.
Iets wat ze níét willen.
Of er is iets niet, wat ze juist wél willen.
Daar gaat het boek dan over: of het die hoofdpersoon lukt om te bereiken wat hij wil bereiken.
Arend wilde niks anders bereiken dan zwemmen, krabbetjes vangen en vrienden worden met vreemde kinderen. En al die dingen deed hij al.
Nog maar even wachten op een betere hoofdpersoon, dacht ik en gooide het laatste bodempje koude koffie overboord.
Ik vond wel meteen het huisje waar mijn gezin zou gaan wonen. Het had een rieten kap en het lag een beetje verscholen, zodat niemand naar binnen kon kijken. Heerlijk, zuchtte ik.
 

Ik liep terug langs de begraafplaats en ontdekte dat het dorp tijdens de watersnoodramp van 1953 bijna helemaal was overspoeld. Veel doden - mooi zo!
In de winter ging ik nog een paar keer terug. Toen bleek dat de dominee 's avonds controleerde of er iemand naar de televisie zat te kijken, want dat was verboden!
Het dorp was dus echt een geweldige plek voor een verhaal.
Maar waarom gingen die mensen uit mijn boek eigenlijk verhuizen?
Nou, antwoordde ik mezelf, bijvoorbeeld omdat de vader en de moeder een huisje hebben geërfd van een onbekende oudtante.
Of omdat een van de kinderen erg gepest wordt op school.
Of omdat ze gek worden van het gegier van de trams die langs hun huis rijden.
Hm, dacht ik. Eigenlijk niet echt goede redenen om te verhuizen.
Toen las ik Help, ik word miljonair!, vol interviews met mensen die een grote prijs hebben gewonnen in de Postcodeloterij. Leuke mensen, domme mensen, lieve mensen en rare mensen.
Natuurlijk! Mijn gezin ging naar Zeeland om een nieuw leven te beginnen als miljonair!
 

Toen ben ik gaan schrijven en schrijven en schrijven. Over de prijsuitreiking, over de vrienden van de hoofdpersoon die opeens anders tegen hem doen, over alles wat er verandert in het leven van een prijswinnaar. Over geld en geluk, over vriendschap en liefde.
'Prinsenleven' heet dat boek.
Van tevoren had ik er dus van alles over bedacht. Maar toen ik eenmaal ging schrijven had ik niet zoveel meer te zeggen over het verhaal.
Het verhaal had bijvoorbeeld helemaal geen zin om te verhuizen.
Dat hele Zeeland?
Komt er niet in voor!

Corien Botman.

 

.
.