Uit het schrijversleven van...Christien Boomsma

Terug naar lijst
 

“Pssst!”
Het is half twaalf ’s nachts en mijn partner draait zich kreunend om in bed. “Hé!” fluister ik nog eens en duw hem zachtjes aan.
“Wat?”
“Heeft een zeemeermin eigenlijk een navel?”
Hij kreunt nog eens. Zou ik hem wakker hebben gemaakt? “Hoe kom je daar nou weer bij?” vraagt hij. “Ik slíep!”
“Nou, gewoon…” Het is een belangrijke vraag, vind ik. Ik ben immers druk bezig een boek te schrijven over een zeemeerminnetje. En dan moet ik toch weten hoe zo’n wezen eruit ziet. Een navel? Dat zou betekenen dat ze een navelstréng heeft gehad en dus dat ze niet uit een ei geboren is, maar uit de buik van haar moeder. Nou leggen zeemeerminnen geen eieren volgens mij, maar wáár komt de baby er dan uit? Ze hebben immers een vissenstaart? Moeilijke vraag.

Zulke vragen komen altijd ’s nachts, vlak voordat ik in slaap val. Als ik onder de dekens kruip, zitten er nog helemaal geen zeemeerminnen in mijn hoofd, en ook geen heksen, draken of wát voor wezens ik verder in mijn verhalen stop. Maar als ik dan het licht uit en mijn ogen dicht doe, begint het te borrelen. Zinnetjes drijven door mijn hoofd. Beelden die horen bij het volgende stukje van mijn verhaal. En vragen. Altijd vragen.
“Ze hebben een navel,” vertelt mijn partner gapend.
“Waarom denk je dat?”
“Omdat ze alleen de staart van een vis hebben. Van boven zijn ze mens. En je ziet het op tekeningen ook altijd.”
O.
Ik vraag me af of dat een goede reden is. Maar dan bedenk ik dat zeemeerminnen ook borsten hebben. Dat weet iedereen. En borsten heb je om je baby te drinken te geven. En dát betekent weer dat ze zéker niet uit een ei komen.
Goed.
“Tevreden?” vraagt hij.

Ik mompel iets instemmends en draai me weer om. Moeiteloos glij ik terug in de wereld van mijn zeemeerminnetje. Naast me begint mijn partner zachtjes te snurken. In de scène die ik morgen ga schrijven, blijft ze een hele tijd onder water. Ze verbergt zich, terwijl mijn hoofdpersoon haar probeert te zoeken. In mijn gedachten zie ik het botenhuis waarin de scène zich afspeelt. Het licht is er schemerig, de planken half verrot. Het water klotst tegen vlonders. De meermin is een bleek vlekje in het water.

En dan…
Hoe lang zit ze in dat water?
Hoe lang kán ze eigenlijk onder blijven?
En als ze ’s nachts in dat water zit, slaapt ze daar dan ook? Boven water? Onder water? En als het onder is, hoe ádemt ze dan eigenlijk?
“Lieverd!”
Geen reactie.
“Hé… Ik…” “Wat nóu weer!”
Nu klinkt hij niet meer slaperig, maar geïrriteerd.
“Een zeemeermin hè… heeft die kieuwen? Of haalt ze adem door haar huid, net als een kikker? Of…”

Hij trekt een kussen over zijn hoofd en geeft geen antwoord meer.
Jammer. Ik denk er nog een tijdje over na en besluit dan dat het het handigst is voor een meermin om kieuwen én longen te hebben. Maar dan wel op een plekje waar je ze niet zo snel ziet. Achter de oren of zo? Dat is de plek waar ze bij vissen zitten en ik heb dat ook wel eens in een sciencefictionfilm gezien. Tevreden over mijn eigen bedenksel doe ik mijn ogen dicht.

Onzinvragen? Niet voor mij. Voor mij zijn ze net zo belangrijk als de vraag wat 40.383 gedeeld door zeventien is (2375,47 en nog wat), wat de hoofdstad is van Kazachstan (Astana), en hoe je het beste een vis kunt fileren (dat weet ik dus niet). Ik hou van vragen, van het nadenken, van de puzzeltjes. Nu is het mijn meerminnetje, maar toen ik ‘Zus voor een nacht’ schreef, vroeg ik me af hoe je moest inbreken in een museum en waar geesten eigenlijk uithangen als ze niet bezig zijn met verschijnen. Vragen… leuk om te stellen. Leuker om er antwoorden voor te bedenken, en het allerleukst als de antwoorden samen een mooi verhaal gaan vormen.

Wil je meer weten over mij en mijn schrijverij? Kijk dan op mijn website www.christienboomsma.nl.

Christien Boomsma
 

.
.