Uit het schrijversleven van...Anaïd Haen & Django Mathijsen

Terug naar lijst
 

Hoe gaat dat nou, samen schrijven?

Het is de meest gestelde vraag aan ons: ‘Hoe doen jullie dat nou? Samen schrijven?’
Meestal gaat het zo: het begint in de keuken, tijdens het aardappelen schillen. Dat de één aan de ander vraagt: ‘Wat gaan we schrijven?’
En dan zegt de ander bijvoorbeeld: ‘Ik heb wel zin in een lekker spannend verhaal voor kinderen vanaf een jaar of tien.’
‘Dat is prima, maar wel met een meisje als hoofdpersoon.’
‘Ja, leuk! Maar dan een meisje dat ervan droomt de ruimte in te gaan. Ze wil astronaut worden!’
‘Oh! Daarom heeft ze een sterrenkijker op het dak van haar schuur staan.’
‘Precies! Ze is gek op de sterren. Oh! En weet je hoe ze heet?
‘Nou?’
‘Sterre!’
‘Prima, ze heet Sterre. En kunnen we dan die waterraketten gebruiken? Die we in dat filmpje hebben gezien?’
‘Ja, dat is leuk! Ik heb wel eens een artikel over waterraketten geschreven, ik weet er alles van. Dan laten we Sterre een waterraket bouwen.’
‘Waarom?’
‘Euh … omdat ze … omdat ze … een wedstrijd moet winnen?’
‘Een raketwedstrijd, ja!’
‘Moet er wel een slechterik in zitten. Iemand die haar dwarszit. Een klasgenoot die ook wil winnen, denk ik. Wat vind jij?’
‘Minstens een klasgenoot die ook wil winnen. En natuurlijk een boze buurman.’
‘Een boze buurman?’
‘Ja, natuurlijk! Hij wordt steeds wakker van de waterraketten tegen zijn slaapkamerraam.’
‘Maar dit is een kinderboek. Sterre kan toch niet midden in de nacht waterraketten afschieten?’
‘Natuurlijk niet. De buurman draait nachtdienst, vandaar.’
‘Weet je wat ook?’
‘Nou?’
‘Informatie stukjes over de ruimte en ruimtevaart!’

En dan begint het echte werk.
Eerst schrijven we alles op wat we bedenken over de personen. Wat voor meisje is Sterre? Leven haar ouders nog? Heeft ze broers of zussen? Wie zijn haar vrienden en vriendinnen?
Dit doen we voor alle personen in het verhaal. Zo leren we ze heel goed kennen.
Als tweede schrijven we kort op waar het verhaal over gaat. We denken ook na over de informatie stukjes: welke hebben we nodig?
Daarna maken we een hoofdstukindeling. Daarin schrijven we op, wat er wanneer in het verhaal gebeurt.
Pas als we helemaal tevreden zijn met het voorwerk, gaan we het boek zelf schrijven. Dan werken we alle hoofdstukken uit. Wie welk hoofdstuk schrijft? Dat gaat dan van:
‘Ik pak hoofdstuk 1.’
‘Da’s goed, dan begin ik bij 2.’
Elk hoofdstuk dat klaar is, wordt naar de ander gestuurd. Die voegt er zijn eigen ideeën aan toe. Zo is er geen verschil in stijl tussen de hoofdstukken en wordt het boek echt van ons samen. Dit werkt goed: onze lezers ‘herkennen’ ons niet. Zelf weten we vaak ook niet meer wie welk stuk heeft geschreven.
En zo schrijven wij samen.

Anaïd Haen & Django Mathijsen.

.
.