Rita Verschuur over...‘Zeer kleine liefde’ van Ted van Lieshout

Terug naar lijst
 

Zeer kleine liefde

Titel: Zeer kleine liefde
Auteur: Ted van Lieshout
Uitgeverij: Leopold, 2010
ISBN: 978 90 258 5521 5
Illustraties:

Terug naar lijst

’Zeer kleine liefde’ van Ted van Lieshout is te vinden in de bundel 'Hou van mij'.

'Zeer kleine liefde’ van Ted van Lieshout is een van de weinige boeken die ik af en toe uit de kast haal. Ik begin te lezen, krijg een brok in mijn keel, lees door en ontdek iets nieuws in deze zeer dunne bundel, waarin foto’s, gedichten en brieven vertellen van een liefde, zo groot dat ze omgezet moest worden in poëzie.

Op de eerste pagina staat de foto van een grafsteen, genomen door de 12- jarige jongen tijdens zijn bezoek aan de grote kerk in Dordrecht met 'mijn meneer mijn vriend’.
Voor het eerst ontcijfer ik de tekst onder het wapen: 'Per tot discrimina rerum’. Die woorden staan in de Aeneis van Vergilius en betekenen letterlijk: ’door zoveel wisselende lotgevallen'. Zoveel hachelijke toestanden waar Aeneas doorheen moet voordat hij Latium zal bereiken. Aeneas die zijn kreupele vader op zijn rug uit het brandende Troje redt en later zelf op zijn zwerftocht door de schim van de inmiddels overleden Anchises door de onderwereld geleid wordt, terug naar het licht.

'Ik dacht dat ik mijn vader zag’ luidt de titel van het gedicht ernaast, waarin het lijk van de kort daarvoor overleden vader tijdens een droom van de jongen overeind komt. 'Ik schrok van mijn spokende vader, dat lijk dat nog leefde.' De slotwoorden van het gedicht worden versterkt door de tekst op de grafsteen ernaast : 'Ik besta. Ik besta!’ 

En dan zijn er de gedichten over de jaargetijden. Lente: 'Ik knijp in loten en knoppen om te zien wat er komen gaat en in welke kleur, voorzichtig, maar toch te hard.’ Zomer aan zee, één en al lamlendigheid. Maar dan: ’De haringman maakt maatjes schoon.’ Maatjes, de twee helften van een haring. 'De jongen neemt een hap met vers gesneden ui, ’Hèhè, eindelijk is de zomer waar.’ In de herfst neemt hij onder zijn zool een brief mee naar binnen van verleden tijd. ’Ik ...lees de post en vergeet niet tussen de nerven door te lezen.' Ten slotte streelt hij in de winter de vensterbank en ziet 'dat verdriet smelt tot tranen op mijn blote vingers.’
Ook andere zinnen uit deze vier gedichten zouden met elkaar een concentraat kunnen vormen van wat komen gaat.

25 jaar later is er dan de onverbloemde werkelijkheid in de eerste brief van ’de meneer’, die tot zijn ontsteltenis de naam van de jongen in kranten heeft gelezen en haastig om vergiffenis vraagt voor de schrijnende ontsporing van toen.
Ja ja, denk je als lezer. Waarom schreef die meneer zijn brief net toen de kijk op pedofilie veranderde van iets dat ’natuurlijk’ heette naar iets dat strafbaar werd? Waarom net toen hij ontdekte dat de jongen hem als kunstenaar nu in zijn macht had? Toen hij een foto terug had gevonden waar ze beiden op staan?
De jongen heeft het gebeurde hoog gehouden door het grote geheim te bewaren. Hij schrijft terug dat hij moeite heeft met het schuldgevoel waarmee de man het mooie dat er geweest is ontkent. ’En nu vraagt u mij om vergiffenis. In uw brief leunt u zo zwaar op mij dat ik haast geen kans zie om u dat woord niet te geven.’
De meneer is gedegradeerd tot een man die kinderen stal. Als de jongen voorstelt elkaar nog eens te ontmoeten scheept hij hem af met ’later.’
Er komt geen later. Maar de dichter zet zijn geheim om in poëzie. In een cruciaal gedicht wil de meneer zichzelf de rol van nieuwe vader aanmeten.
'Het was zo stom wat u zei.
Een dooie vader is ook een vader hoor.’

Desondanks blijft hij zijn grote liefde trouw.
'Ik heb u niet verraden. Ik zorg voor u.’ Naast dat gedicht staat de foto van een pompeuze preekstoel, waarvan je als toeschouwer het klankbord als een damocleszwaard boven het hoofd van de dominee ziet hangen. Zou daar ooit iemand staan preken die tot zoveel trouw in staat is?

Een dun boekje, een hecht weefsel van uiteenlopende teksten, dat laat zien wat liefde een kind kan aandoen. Ik denk dat een dichter, nadat hij zo’n boek de wereld in heeft gestuurd, wel even dood mag van zichzelf.

Rita Verschuur.



 

.
.