Daan Remmerts de Vries over...‘Tjibbe Tjabbes’ wereldreis’ van Harm de Jonge

Terug naar lijst
 

Tjibbe Tjabbes’ wereldreis

Titel: Tjibbe Tjabbes’ wereldreis
Auteur: Harm de Jonge
Uitgeverij: Van Goor, 2008
ISBN: 978 90 4750 412 2
Illustraties: Fiel van der Veen

Terug naar lijst

Vroeger wilde ik ontdekkingsreiziger worden. Ik wilde gaan waar, voor mij, nog geen mensen waren gegaan. Ik wilde nieuwe dieren ontdekken. Ik wilde zien dat de wereld nog een raadsel was – en dat raadsel wilde ik niet oplossen, want de wereld moest altijd geheimzinnig blijven.

Die wonderlijke, onbekende wereld waar ik toen zo naar verlangde, heb ik nu teruggevonden – in een boek. Een prachtboek, vol met nieuwe dieren, en met avonturen om van te dromen. Het heet 'Tjibbe Tjabbes’ wereldreis'. Professor Tjibbe Tjabbes, levend in de zestiende eeuw, krijgt de opdracht om een nieuwe ark van Noach in te richten. Van over de hele wereld moeten er dus dieren worden aangevoerd, en Tjibbe, als wetenschapsman, is de aangewezen persoon om die dieren te gaan verzamelen. Zo vaart hij uit op wereldreis, op het schip van kapitein Horzelkaak. Naar Zuid-Amerika, naar Afrika en Madagascar en naar Nieuw-Guinea. Ik ga natuurlijk niet vertellen wat daar allemaal gebeurt; dat moet iedereen gaan lezen. Wat ik wél wil zeggen is dat de schrijver – Harm de Jonge – vast erg veel oude verslagen heeft doorgenomen van ontdekkingsreizigers uit die tijd. Want hij beschrijft alles alsof hij er zelf is bijgeweest. Als je dit leest sta je op het schip te kijken naar de kust van een eiland in de verte, je voelt de deinig van de zee, je ruikt het zout en het teer en je hoort het geknerp van de houten romp. Je leert vreemde volkeren van dichtbij kennen, je hebt een ontmoeting met piraten en je ligt met heimwee in de vochtige hitte in je hangmat in het vooronder. Maar 'Tjibbe Tjabbes’ wereldreis' is niet alleen maar een prachtig geschreven reisverhaal. Hij – of liever: de boot waarop hij vaart – wordt achtervolgd door een mysterieuze dreiging, iets wat voortdurend op hem loert vanuit de golven; en daarmee wordt het ook nog spannend. Het gevaar zit de kalme Tjibbe constant op de hielen, en dit maakt zijn reis tot een soort van race-tegen-het-lot.

Bijna alles is verteld door Tjibbe zelf. Zijn verslag is gevonden in een kistje, in de buurt van een scheepswrak. Dat scheepswrak is gevonden bij de kust van Borneo. Het boek begint met die vondst - en eigenlijk ben je dus, tijdens het verdere lezen, de hele tijd bang dat het slecht af zal lopen met het schip, en dus met de verteller. Maar ís dat ook zo? Of zal Tjibbe zijn in Holland achtergelaten geliefde – Annemie – toch weer terugzien? Onderweg schrijft hij haar brieven, warme, leuke brieven, en je hoopt niks anders dan dat ze elkaar weer zullen ontmoeten.

Tjibbe is me dierbaar geworden, want hij is levensecht. En zijn beschrijvingen zijn soms vreselijk grappig. Vooral de dieren die hij ontdekt zijn eigenlijk stuk voor stuk komisch. De wrattenbeer uit tropisch Afrika, bijvoorbeeld, is een lelijk, pukkelig wezen, en het stinkt nog ook. Maar iedereen vergeet dit bij zonsondergang, want dan gaat deze beer zingen, zo verrukkelijk dat je er tranen in je ogen van krijgt. Andere heerlijke dieren zijn de pantsergloep, de zeilsnijder, de kraagpaddo, de penduulgoeroe, de roodklopper en de blauwe waterstier. Ik ben met Tjibbe meegereist. En ik heb gekeken door zijn ogen. Dat laatste komt óók door de trefzekere, subtiele tekeningen van zijn reisgezel Fiel Venius (die we tegenwoordig natuurlijk Fiel van der Veen zouden noemen); want wat ís dit boek mooi geïllustreerd, en verzorgd.

De tijden zijn veranderd. Veel is er tegenwoordig wel bekend. Maar… niet alles! Dat blijkt duidelijk uit dit schitterende boek. Tjibbe Tjabbes doet je verlangen naar de tijd dat de wereld nog grotendeels een raadsel was. En tegelijkertijd krijg je zin om zelf op onderzoek te gaan. Zo’n boek maken, dat is heel erg knap. Want Tjibbe Tjabbes is alles ineen – avontuur, informatie, fantasie én romantiek. Met een brok in m’n keel heb ik tenslotte de laatste bladzijde gelezen. Ik heb gezucht, omdat ‘t uit was. Even was de wereld weer iets héél bijzonders.

Daan Remmerts de Vries.

.
.