BiografieMonique Hagen

Terug naar lijst

Hans en Monique Hagen


Hans Hagen werd op 10 september 1955 in ’s Graveland geboren. Op school was hij een verlegen jongetje dat goed in rekenen was. Het vak Nederlands lag hem juist helemaal niet en psalmversjes uit zijn hoofd leren vond hij een ramp. Thuis waren er nauwelijks boeken, wel Sjors & Sjimmies en Lassiestrips. Na de MULO en de HAVO, werd Hans leraar Nederlands en geschiedenis, daarna speldocent bij jeugdtheatergroep ‘Stennis’. Vervolgens werd hij eindredacteur van ‘Taptoe’. In 1987 stond het eerste verhaal van Jubelientje in de Margriet en toen begon zijn schrijverscarrière pas echt. Monique Hagen werd op 18 november 1956 in Leiden geboren. Ze was de oudste in een gezin van zes kinderen en las veel sprookjes voor aan haar broertjes en zusjes. Ze noemt zichzelf een nogal paniekerig kind. Ze was panisch voor bloed en toen haar eerste tand eruit ging, kreeg ze het boek ‘De drie gekroonde paardjes’ van Piet Worm over drie paardjes en drie prinsesjes. Ze volgde een opleiding tot kleuterleidster (de KLOS), ging naar de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar in Utrecht en vervolgens richtte ze met een aantal anderen de jeugdtheatergroep ‘Stennis’ op. Ze presenteerde vijftien jaar lang ‘Klokhuis’ en voor de ‘Taptoe’ en de ‘Okki’ schreef ze informatieve stukjes over allerlei onderwerpen. Het eerste gedichtje, dat ze verzon, was een slaapverhaaltje voor haar dochtertje Imme. Samen met Hans schreef ze onder andere de dichtbundels ‘Daar komt de tijger’, ‘Misschien een olifant’ en ‘Jij bent de liefste’.

Hans schrijft romans en gedichten, die voor verschillende leeftijdsgroepen bestemd zijn, zoals de verhalen voor beginnende lezers over Jubelientje en ‘Zwaantje en Lolly Londen’ en tienerboeken als ‘Het gouden oog’ en ‘Rec.play’. Wanneer Hans een boek schrijft, is hij daar in zijn hoofd continue mee bezig. Hij kan in die periode van schrijven niet ook nog eens een boek lezen. Schrijven is voor Hans verrassend, versteld staan, woordspelingen vinden, maar ook stil worden. Hans vindt het leuk om zichzelf te citeren in zijn boeken: als je goed leest, vind je misschien wel hetzelfde zinnetje in twee verschillende boeken van hem! Hans schrijft heel beeldend: in ‘Het gouden oog’, een historische roman over Yarim die zich afspeelt in het gebied dat nu Irak is, zie je het beeld van Yarim die zich met een speer op een leeuw laat vallen, als een scène in een film voor je.

Gedichten schrijven is voor Monique onder andere puzzelen: hoe zet ik het beeld dat ik heb om in een tekst? De zinnen moeten dan ook nog eens in elkaar passen. Maar vaak is poëzie ook ideeën samenvoegen waarin het beeld van een stoel uiteindelijk leidt tot een gedicht over een bloem. Naast gedichten, schrijft Monique ook informatieve boeken. Het was al haar wens om een soort ‘Klokhuis’ in boekvorm te maken, zoals ‘Het paardenboek’ dat ze samen met Hans schreef. Hoewel het in een informatief boek vooral om de inhoud gaat, vindt Monique de taal waarmee de inhoud wordt verteld ook belangrijk. Ook een informatief boek moet soepel en ritmisch lezen.

Je hebt Jubelientje, Zwaantje, Yarim, Dudu Addi, Sidi: allemaal figuren in de boeken van Hans. De namen van de personages zijn erg belangrijk voor de schrijver. Jubelientje moet Jubelientje heten en niet anders. Een naam als Anne of Marijke past niet bij het ondernemende karakter van dat meisje. Personages worden echte mensen van vlees en bloed, hebben een eigen wil. Hans zal Jubelientje bijvoorbeeld nooit kikkers laten pesten, want zo is Jubelientje niet, dat past niet bij haar.

Hans bewijst met zijn boeken dat de taal een rijk middel is, dat een boek tot een bijzonder boek maakt. Taal is muziek van de woorden, zeker in, het met een Gouden Griffel bekroonde, ‘De dans van de drummers’. In dit boek moeten zes kinderen elk een trommel kiezen, die het best bij hen past. Het verhaal laat zich lezen als tromgeroffel: zullen ze wel de goede kiezen? De kleurrijke illustraties van Philip Hopman maken het verhaal ten slotte compleet.
 

 
.
.